Gepubliceerd op 07.10.2021 | Tekst: Lisa De Visscher | Foto's: Christian Richters, Johan Dehlin

A+ Lecture by Carmody Groarke

Op 12 oktober 2021 nodigen A+ en Bozar het Londense bureau Carmody Groarke uit om een lezing te geven over hun oeuvre.

Op 12 oktober 2021 nodigen A+ en Bozar het Londense bureau Carmody Groarke uit om een lezing te geven over hun oeuvre. Andy Groarke en Kevin Carmody geven meer inzicht in de drijfveren achter hun werk en de ambities voor hun eerste project in België: het Designmuseum in Gent.

Lisa De Visscher: Jullie werk toont een grote betrokkenheid met de geschiedenis van een plek. Is het een bewuste keuze om architectuur te maken die een directe relatie aangaat met het bestaande?

Andy Groarke: Geschiedenis heeft tijdens onze opleiding en eerste werkervaringen voor ons allebei altijd een belangrijke rol gespeeld, zij het dan op een andere manier. Kevin Carmody groeide op en studeerde in Canberra in Australië, zeg maar de ‘nieuwe wereld’. Ik kom daarentegen uit Manchester, een stad in de ‘oude wereld’ maar met sterke wortels in de industriële revolutie die de moderniteit inluidde. De blik waarmee we elk naar de stad en haar architectuur kijken, is dus erg complementair, zowel op cultureel, sociaal als klimatologisch vlak.

Kevin en ik ontmoetten elkaar in het bureau van David Chipperfield op het moment van de wedstrijd voor het Neues Museum in Berlijn. Dat project gaf aanleiding tot vele discussies over hoe je in de Europese stad kunt ingrijpen zonder de continuïteit van de geschiedenis te verstoren. Gelijktijdig werkten Kevin en ik samen aan een ander project in een complexe historische context: de studio van de kunstenaar Antony Gormley in een achttiende-eeuws voormalig jachthuis in Norfolk. Die eerste werkervaringen sterkten ons in de overtuiging dat architectuur een onvermijdelijke culturele dimensie heeft en geen instrument mag worden van een neoliberale financiële industrie die gewin als enige doel vooropstelt.

Welke projecten spelen een belangrijke rol in die ambitie? De Hill House Box die jullie niet zo lang geleden afwerkten bijvoorbeeld?

De Hill House Box is het laatste van drie projecten waarin zowel de collectieve ruimtelijke ervaring van de bezoeker als het idee van de ‘primitieve hut’ de kern vormen van het architecturale concept. In 2007 kregen we de kans om een fysieke ruimte te creëren voor Antony Gormley’s installatie Blind Light, waarin de bezoekers op een beperkte oppervlakte worden blootgesteld aan de combinatie van ijzige kou, dichte mist en fel wit neonlicht. In deze desoriënterende ruimte word je je plots bijzonder bewust van je eigen lichaam en de schimmige nabijheid van de ander. We ontwierpen een ruimte die was afgebakend door kaderloze glasplaten. Die vormden een doorschijnende beschutting voor deze efemere beleving.

Een tweede tijdelijk project was de Studio East Dining. Tijdens de zomer van 2010 bouwden we een pop-uprestaurant op het dak van een 35 meter hoge parkeergarage met uitzicht op de werf van het Olympisch dorp in Londen. Ook hier maakten we in de eerste plaats een reeks beschutte ruimtes vanwaaruit we de bezoeker een weergaloze blik boden op de grootstad.

Het Hill House-project zet deze reeks verder. Hill House, een architecturaal meesterwerk van Charles Rennie Mackintosh uit het begin van de twintigste eeuw, valt vandaag letterlijk uit elkaar door een aanslepend vochtprobleem. De eigenaar, de National Trust of Schotland, woog meer dan vijftig jaar lang alle alternatieven – van volledige afbraak en wederopbouw tot minutieuze restauratie – tegen elkaar af en schreef uiteindelijk een wedstrijd uit. De opdracht was een afdak met stellingen voor het huis om het te beschermen tijdens de restauratiewerken en een apart bezoekerscentrum. Wij vonden echter dat de opdracht het restauratieprobleem enkel op een functionele, technische manier benaderde. Als het louter een praktisch probleem geweest was, zou de National Trust vijftig jaar geleden wel een praktische oplossing hebben gevonden.

Deze hele restauratie is voor ons een cultureel en een filosofisch vraagstuk dat een publiek debat verdient. Daarom stelden we voor om de bezoeker in het restauratieproces te betrekken. We bouwden geen apart bezoekerscentrum, wel een infrastructuur die onder de beschutting voor het monument door loopt. Ze biedt bezoekers een intieme blik in het huis én een prachtig uitzicht op het omliggende landschap. Onze voorstel bleek meteen ook een interessant businessplan voor het ontsluiten van het monument tijdens de restauratiewerken, die waarschijnlijk vijftien jaar zullen duren: het aantal bezoekers verdubbelde in drie jaar tijd!

Architectuur is een beproefd instrument om de identiteit van een plek vorm te geven. Jullie bouwen echter vaak in een omgeving met een zeer aanwezige geschiedenis of in een indrukwekkend landschap, zaken die de kern vormen van de plaatselijke identiteit. Wat kan architectuur dan nog betekenen?

Ik vind het soms een gevaarlijke opdracht om te bouwen in een historische context omdat je hoe dan ook op een erg fysieke manier de geschiedenis herschrijft. We gaan altijd heel voorzichtig om met de verschillende lagen van die geschiedenis, omdat we elke laag evenveel gewicht willen geven. Dat geldt zowel voor een stedelijke als voor een landschappelijke context.

Neem nu het Windermere Jetty Museum in het Lake District, een picturaal romantisch landschap dat vorm kreeg op het einde van de negentiende eeuw, toen het een broedplaats was voor kunst en literatuur. Turner maakte er vele schilderijen, Wordsworth schreef er gedichten over. Maar vóór de romantiek was het Lake District in de eerste plaats een arme streek van boeren, vissers en vroege industrie. Het grootste meer van Groot-Brittannië is eigenlijk een stuwmeer met een interessante bodemsamenstelling van keien en sedimenten, die afgegraven werden voor de bouwindustrie.

Hoewel het museum met zijn collectie van boten vooral de nadruk legt op de visvangst en recreatie, wilden we zowel de industriële als de romantische geschiedenis meenemen in het ontwerp. We maakten horizontale gebouwen die als het ware in het licht glooiende landschap geschoven worden. De koperen strips waarmee de gevels zijn bekleed, benadrukken deze horizontaliteit en geven de gebouwen een sculpturaal karakter. Het koper is onderhevig aan wind en regen en begint nu al de eerste tekenen te vertonen van verwering, van het verstrijken van de tijd.

Een ander project waarbij de tijd een belangrijke rol speelt is het 7th of July Memorial in Hyde Park, Londen. Dat monument herdenkt de slachtoffers van de bomaanslagen in de metro en op een bus in Londen op 7 juli 2005, waarbij 56 mensen om het leven kwamen. De enige functie van een gedenkplek is ervoor te zorgen dat een gebeurtenis niet vergeten wordt. Natuurlijk kun je dat niet letterlijk vertalen. We wilden geen pedagogisch instrument maken, maar eerder een plek die voor interpretatie vatbaar is, die mensen samenbrengt en een contemplatief karakter heeft, en in relatie staat tot het park. We werkten hiervoor opnieuw samen met Antony Gormley. Voor elk slachtoffer maakte we een zuil uit roestvrij staal waarop de datum, het precieze uur en de plaats van de ontploffing geschreven staat. We kozen voor staal omdat dit materiaal enerzijds symbool staat voor de hedendaagse, postindustriële stad en zich anderzijds ook heel ambachtelijk laat bewerken. We goten het vloeibare staal in een bekisting gevuld met zand. In zes explosieve seconden nam het zijn huidige vorm aan, nadien duurde het 24 uur om af te koelen. Bijgevolg zijn alle zuilen verschillend, met een onregelmatige, bijna gehavende textuur die je nooit zo zou kunnen ontwerpen.

Ook hier is de beleving van de bezoeker belangrijker dan de architecturale object an sich, en ook dat kun je niet sturen. Er vinden bij het monument jaarlijks herdenkingsceremonieën plaats met nabestaanden en politici, maar ook er zijn protestacties en vandalisme, graffiti van fundamentalistische islamitische slogans enzovoort. Ik vraag me daarbij af of het ene dan beter is dan het andere. Ik vind het interessanter de persoonlijke reactie van de gebruiker te registreren en een monument te creëren dat daartegen bestand is, dan te oordelen. Uiteindelijk werk je als architect van publieke gebouwen tegelijkertijd voor drie verschillende klanten: de opdrachtgever, de gebruiker en de voorbijganger of de burger. Die laatste is misschien wel de belangrijkste.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief