Gepubliceerd op 06.12.2019 | Tekst: Lisa De Visscher

Op 22 oktober nodigen A+ en Bozar David Chipperfield uit voor een lezing over zijn werk, waarover zopas een indrukwekkende monografie verscheen. Naar aanleiding hiervan blikt hij samen met A+ terug op bijna 35 jaar carrière.

David Chipperfield richtte zijn bureau op in 1985 in Londen, midden in het ultraliberale Groot-Brittannië van Margaret Thatcher. Bij het bureau kwam al snel 9H, een kleine expositieruimte en gelijknamig tijdschrift waarin architectuurcultuur en -onderzoek een plek kregen, om tegengas te bieden aan het heersende klimaat van marktgedreven bouwen. Het is daar dat zijn bekommernis voor bouwen binnen een gemeenschap en een culturele continuïteit voor het eerst tot uiting kwam. Die focus vond internationaal weerklank in Common Ground, het thema dat hij uitwerkte als curator van de 13de architectuurbiënnale van Venetië in 2012.

Met zijn bureau realiseerde Chipperfield meer dan honderd projecten en werkte hij wereldwijd aan meer dan twintig musea. Eerder dit jaar ging de James-Simon-Galerie open, het nieuwe inkomgebouw voor het Museumsinsel in Berlijn. Dat vormt het sluitstuk van twintig jaar renovatie en herstructurering van een van de historisch waardevolste sites in de Duitse hoofdstad. Chipperfield tekende in 1999 het masterplan en droeg ook bij aan de invulling ervan met de gelauwerde renovatie van het Neues Museum. Op dit moment leidt het bureau de restauratiewerken van de Neue Nationalgalerie, een van de belangrijkste iconen van het naoorlogse modernisme en het enige late werk van Mies van der Rohe in Berlijn.

Lisa De Visscher: Een belangrijk deel van uw oeuvre situeert zich in Berlijn, in een bijzonder geladen historische context. Hoe verhoudt u zich tot deze stad en haar geschiedenis? Hoe kan een hedendaags architect zich positioneren ten opzichte van grote meesters zoals Ludwig Mies van der Rohe of Karl Friedrich Schinkel?

David Chipperfield: Ik hou van Berlijn. Toen ik er begon te werken in de jaren 1990, net na de val van de Muur, was het een stad zonder geld en zonder duidelijke vorm. Ze was onaf, maar juist dat gaf de stad vrijheid. Ook vandaag, nu de vastgoedprijzen zo hard zijn gestegen, is het nog steeds – in tegenstelling tot bijvoorbeeld Londen – een stad waar de bewoners greep op hebben. Er is een sterk gevoel van ownership bij de Berlijners, en dat heeft te maken met hun geschiedenis. In Berlijn zijn het verleden en de geschiedenis van de stad onvermijdelijk aanwezig en alomtegenwoordig. Ik heb die rijkdom nooit als een belemmering ervaren, integendeel. Ik wil met mijn werk steevast een dialoog aangaan met het verleden, het verankeren in de continuïteit die de geschiedenis uitmaakt. Tabula rasa interesseert me niet.

Opdrachten zoals het Museumsinsel of de Neue Nationalgalerie brengen uiteraard een kolossale verantwoordelijkheid met zich mee. Het gaat er niet om of ik oog in oog sta met belangrijke leermeesters. Bij dit soort opdrachten moet je je meten met de identiteit van een gemeenschap, met het karakter van een plek. Uiteraard ga je dan omzichtig te werk. Voor het masterplan van het Museumsinsel – vertegenwoordigd door de James-Simon-Galerie – schiepen we nieuwe boven- en ondergrondse paden en herformuleerden we het concept van het hele eiland, zodat het kon beantwoorden aan de nieuwe sociale behoefte aan een gedeelde, historische en artistieke beleving van de site.

In de Neue Nationalgalerie ga ik uiteraard heel nederig te werk. Het is een wankel, zoekend evenwicht tussen de nieuwe technische en ruimtelijke noden eigen aan een hedendaags museum, en het respect voor de integriteit van het origineel. Hoewel de ingrepen leesbaar zullen zijn als hedendaagse elementen, is de verbouwing geen nieuwe interpretatie van het werk van Mies van der Rohe, maar eerder een reparatie van een landmark van de Internationale Stijl.

Een museum is een heel specifiek programma dat een belangrijke rol speelt in een gemeenschap. Vooral als het gaat om kleinere musea – zoals de James-Simon-Galerie, maar ook de Turner Contemporary in Margate of het Museo Jumex in Mexico City – wil ik eerder een buurtcentrum maken dan een museum. Natuurlijk wil je toeristen aantrekken, maar de allereerste functie van een museum is om haar eigen gemeenschap te voeden en te ondersteunen. In het Guggenheim Museum in Bilbao komt meer dan 80 procent van de bezoekers van buiten de regio, minder dan 8 procent woont in de stad zelf. Wat kan een museum dan nog betekenen voor de lokale gemeenschap? Daarom proberen we naast de klassieke tentoonstellingszalen ook altijd andere elementen in het programma te integreren. In de James-Simon-Galerie ontwierpen we een auditorium waar lezingen kunnen plaatsvinden, kleinere zalen voor wisselende tentoonstellingen, en vooral een publieke buitenruimte die een plek vormt voor al wie geen zin heeft in tentoonstellingen. Het Museumsinsel werd zo een echt, divers landschap, met een Lustgarten en een Kollonadenhof. Blijkbaar zijn die erg in trek voor Turkse trouwfeesten.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief