Gepubliceerd op 02.08.2022 | Tekst: Dag Boutsen

Hij is een pionier volgens de ene, de bedenker van een paar omstreden gebouwen volgens de andere. Als opmaat tot de retrospectieve deze zomer in Bozar, neemt Dag Boutsen oeuvre en methodes van de 89-jarige Lucien Kroll onder de loep.

Lucien Kroll bouwt en schrijft al meer dan zestig jaar. Het is geen sinecure om uit dat werk één simpele rode draad te halen. Dat weerspiegelt zich in het parcours van de tentoonstelling, die zeer verschillende gedaantes aanneemt. Vormt de retrospectieve in het Paleis voor Schone Kunsten een aanleiding om terug te kijken op zijn levenswerk, of biedt Krolls denken bouwwereld onwaarschijnlijk veel stof om dieper en kritischer na te denken over de toekomst van architectuur? Krolls veelzijdige en soms contradictorische persoonlijkheid is niet altijd eenvoudig te begrijpen. De onderstaande zeven lessons learned zijn niet gebaseerd op de meest emblematische projecten van het Atelier Kroll, maar wel op de belangrijkste kenmerken die ik distilleerde uit mijn jarenlange omgang met Lucien, zijn echtgenote Simone, het hele team en de gebouwde productie.

Archibelge

Brussel heeft de rafelige kanten van een grootstad. Kartelige randen, flodderige en schijnbaar overtollige achterbouwsels. Belgisch op zijn Braems: “verschijnt daar onder ons ineens een door een krankzinnige bijeengenaaide lappendeken”. Brusselaar Lucien Kroll krijgt regelmatig de vraag of er iets Belgisch is aan zijn architectuur. en of La Mémé (huisvestingsproject voor studenten van de Medische Faculteit van de ucL, Sint-Lambrechts-Woluwe, 1972) als een vorm van commentaar op Belgische architectuur zou kunnen worden gezien. een aarzelend “ja” is dan steevast zijn antwoord. Precies zoals renaat Braem tot enige terughoudendheid dwingt, blijven Krolls antwoorden op dit soort vragen behoedzaam en genuanceerd omdat hij wil dat er in alle ernst nagedacht wordt over Belgische schoonheid en lelijkheid.

Vrijheid moet worden georganiseerd, zegt Braem. Kroll stelt daartegenover een ongecompliceerd adagium: waar mensen paden bewandelen, ontstaat een weg. Wanneer ze elkaar kruisen, ontstaat een kruispunt. en wanneer ze elkaar daar meer ontmoeten, groeit een plein. Zo eenvoudig is het. Zo zijn steden ontstaan en gegroeid en organisatie van bovenaf kwam daar niet aan te pas. Deze niet zozeer Belgische, dan wel universele spontaneïteit ligt ten grondslag aan Krolls hele denken en architecturale en stedenbouwkundige oeuvre. Ze vormt ook de basis van de tweede karakteristiek: bewoonbaarheid.

“Une architecture habitée”

De Franse architect Patrick Bouchain omschrijft Krolls aanpak als volgt: “Si Lucien Kroll se définit autant comme architecte ou urbaniste que simple citoyen, c’est que l’architecture pour lui est une affaire de relations, liant les individus entre eux et à leur environnement.” Bouchain gebruikt daarom het moeilijk naar het nederlands om te zetten “une Architecture Habitée”. De aanpak is met andere woorden landschappelijk, dus globaal, relationeel en van lange duur. Het landschap staat hier voor een natuurlijk geconstrueerd geheel van kriskras genomen en met elkaar verweven beslissingen. Als we elke brok architectuur als een conglomeraat zien, dan wordt de grens tussen stedenbouw en architectuur flinterdun.

Elk project een kleine stad

Ongeveer elk project van het atelier Kroll kan dus gezien worden als een kleine stad. elke keer weer wordt een lichaamstaal ontwikkeld door het landschap, de locatie of de gebouwen te structureren als een cluster. Steevast leveren een plein, een steeg, een verdraaiing, een onderbreking van een ritme of een dansende gevel een buurtatmosfeer op. Anonimiteit kan nooit.

De participatie van bewoners of gebruikers aan het ontwerp staat in die logica dan ook garant voor een goed nabuurschap. Kroll omschrijft dit als “vicinitude”, of liever: “l’inverse de la solitude. (…) une copropriété aimable de voisins. (…) Chacun a le droit de se disputer avec chacun, mais sans mettre en péril l’habitabilité de l’ensemble.”

Codesign

Participatie en codesign maken een wezenlijk deel uit van de werkmethode van Lucien Kroll. een groot deel van zijn projecten werd ontworpen via een variërend systeem van workshops waarop alle mogelijke betrokken partijen werden uitgenodigd om aan het creatieve proces deel te nemen. niet om één op één te bouwen wat de betrokkenen wilden, maar om een zo rijk mogelijke geschiedenis te laten ontstaan, liefst nog voordat het project gerealiseerd is. Dit om een leefomgeving op te bouwen die allen toebehoort en waaruit de architect zich na verloop van tijd kan terugtrekken zonder angst voor de toekomstige ontwikkelingen. Zo vormt elk project een zichtbare expressie van de gemeenschap van eindgebruikers.

Alle toevalligheden, onhandigheden of tegenstrijdigheden worden ingezet om de complexiteit van een project te vergroten en verscheidenheid te laten ontstaan. Om homogeniteit te doorbreken, worden schijnbaar niet-architecturale elementen geduldig verwelkomd.

Experimenten

informatica, duurzaamheid, flexibiliteit, participatie: Lucien Kroll kan in verschillende opzichten tot de pioniers van zijn generatie gerekend worden. Hij experimenteerde met concepten en middelen die hun tijd vooruit waren. Zo was hij één van de eerste europese architecten die gebruik begonnen te maken van informatica.

La Mémé, hoewel helemaal door Kroll zelf uitgetekend, is de manifestatie van een collectief ontwerpproces, geïnspireerd door participatieve of cocreatieve methodes. Qua structuur is het bovendien één van de eerste voorbeelden van de Open Building, de eerste verwerking van de SArmethode (Stichting Architecten research) waarbij een betonnen structuur gecombineerd wordt met een flexibele inbouw en veranderbare gevelstukken. in een periode waarin reconversie in de architectuur nog geen schering en inslag was, bood dit gebouw reeds de mogelijkheid om met zijn tijd mee te evolueren. Met het Maison familiale (1965), een school voor kinderen met mentale problemen in Braine l’Alleud, ontwikkelde Kroll een architectuur op basis van een pedagogisch project. De lagere school Don Milani in Faenza (italië, 1997) werd dan weer geïnspireerd door kindertekeningen. Met het woningenproject in Bethoncourt (Frankrijk, 1994) realiseerde Kroll een grootschalige reconversie van een naoorlogs flatgebouw. en het lyceum van caudry (2000) werd heel sterk uitgewerkt volgens de Franse duurzaamheidscriteria HQe, die op dat ogenblik nog niet ingeburgerd waren.

Schrijven versus bouwen

Lucien schrijft tot vandaag architectuur. Easy reading is het niet, een aangename verhaallijn ontbreekt meestal. De teksten zijn geconstrueerd zoals de architectuur die is voortgekomen uit het atelier rondom hem: geassembleerd, gecombineerd, geplakt. De inhoud is – opnieuw – nooit eenvoudig te herleiden tot een paar hoofdlijnen, maar de essentie is wel bewonderenswaardig tijdloos en fundamenteel. in een archetypische Kroll-tekst komt dezelfde boodschap terug in verschillende alinea’s, maar telkens op een andere manier in beeld gebracht, of met een ander argument onderbouwd. Steeds is hij op zoek naar een nieuwe leidende logica om de utopie van zijn architectuur te staven.

Evoluerend landschap

in de jaren ’60 bouwde Kroll voornamelijk mooie eengezinswoningen. tot aan het groots opgezette participatieproject met de studenten geneeskunde van de ucL voor het gebouwencomplex La Mémé en enkele jaren later het metrostation Alma. Die woelige periode resulteerde niet meteen in vervolgopdrachten. Het vernieuwende discours vond weinig gehoor, tot Kroll het zelf publiceerde. De participatieve gedachte voor La Mémé – die tot dan toe grotendeels ongezien was – leidde tot een aantal projecten waarin het codesign met bewoners in extremere vormen werd ontwikkeld. een goed voorbeeld hiervan is Les Vignes Blanches, een ville nouvellewijk in het Franse cergy-Pontoise (1979): elke familie koos zelf haar perceel, en wat ze erop wilde bouwen.

Tegelijk ontstond uit de bouwmethodiek van La Mémé ook de drang om de rationele SAr-geometrie om te zetten naar een computergestuurd ontwerp van verschillende bouwelementen voor gediversifieerde sociale woningen zoals Les chênes d’Emerainville in Marne-la-Vallée (Frankrijk, 1984). een eigen tekenprogramma met de naam Paysage werd ontwikkeld met eigen financiering.

Het zijn bovenstaande ontwikkelingen die samenvloeiden tot een meervoudig ecologisch denken zoals Félix guattari het in 1989 omschreef: “l’écologie environnementale, l’écologie sociale, l’écologie mentale”.

Hoe divers Krolls scholen, woonen zorggebouwen, nieuwbouw, reconversies, herstructureringen, stadsen rurale omgevingen en naoorlogse wijken (in nederland, Duitsland, Frankrijk, België,…) ook zijn: allemaal zijn ze verbonden door diezelfde geest.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief
  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.