Gepubliceerd op 22.10.2021 | Tekst: Lisa De Visscher, Iwan Strauven | Foto's: Filip Dujardin

URA Yves Malysse Kiki Verbeeck

Je kan het volledige interview lezen in het boek “URA Yves Malysse Kiki Verbeeck. Architectural projects 2002-2020". Bestel hier een exemplaar.

Op 9 november 2021 opent in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel de tentoonstelling Solid Senses over het werk van Brusselse architectenbureau URA. In het kader hiervan komt ook een boek uit waarin naast 20 projecten ook een lang interview verschijnt met oprichters Yves Malysse en Kiki Verbeeck. Wij geven u hier alvast een voorpublicatie.

Lisa de Visscher en Iwan Strauven: Op jullie vraag vindt dit interview plaats in Le Parador van de architect Jacques Dupuis, een villa in het Brusselse uit 1948 die in 1954 door hem werd uitgebreid. Waarom is deze woning zo belangrijk voor jullie?

Yves Malysse en Kiki Verbeeck: Het werk van Jacques Dupuis heeft een speciale betekenis voor ons. In 2002, toen het bureau net was opgericht, verscheen ook de eerste monografie over Dupuis. We werkten toen aan twee projecten met een heel specifiek woonprogramma – het huis FAR in Roeselare en een loft in Antwerpen – en we waren als jonge, hongerige architecten op allerlei manieren op zoek naar andere inzichten. Eerlijk gezegd kenden we op dat moment het werk van Dupuis niet goed, maar toen we het boek in handen kregen en het project voor Le Parador zagen, vielen plots een heleboel puzzelstukjes samen. Dit huis heeft een heel dens programma waarin alle geneugten van het wonen aan bod mogen komen. Er zijn verschillende ontvangstruimtes, salons en een majestatische eetruimte die elk een aparte relatie hebben met de grote tuin. Uniek aan deze woning is hoe het wonen in al deze ruimtes in scène gezet wordt. Dupuis hanteert een heel specifiek en rijk vocabularium waarin materialiteit, vormentaal en enscenering een belangrijke rol spelen. Hij slaagt erin om de interieurs zo te ontwerpen dat elke ruimte een specifieke sfeer krijgt die contrasteert met de ruimte ervoor of erna. Hij gebruikt hiervoor heel klassieke elementen die dan, bijvoorbeeld naar materialiteit, heel atypisch omgezet worden. Dat geeft het geheel een diepgang, het huis wordt een verhaal met meerdere lagen. Dupuis creëerde door zijn specifieke materiaalgebruik en sprekende interieurs een spanningsveld dat ons toen onder de indruk bracht en ons werk tot vandaag beïnvloedt.

LDV + IS: URA – in de naam van jullie bureau verwijzen jullie naar de eerste stad. In jullie werk hebben jullie het over het scheppen van een oervorm die geconfronteerd wordt met de context. Hoe gebeurt dit precies?

YM + KV: Net zoals Dupuis maken we ons het programma eigen door het te ontleden naar scenario’s en zo om te zetten naar ruimte. Parallel hieraan voltrekt zich een ander proces, namelijk hoe we een volumetrie ontwikkelen vanuit de oervorm en die inpassen in de context. Die ruimtelijke context is erg belangrijk voor ons. De analyse ervan gebeurt heel intuïtief. Soms gaan we echt letterlijk een aantal dagen in een Volkswagenbusje op een plek rondrijden en zelfs kamperen om de site echt te leren kennen. Het gebouw dat wij aan de omgeving toevoegen moet een meerwaarde zijn en de tand des tijds kunnen doorstaan. Het mag ook een beetje wringen, er moet een frictie bestaan tussen het gebouw en zijn omgeving. Maar we willen de gebruiker wel begeleiden naar het gebouw toe, het binnenkomen willen we sturen. Vanuit die analyses en overwegingen ontstaat dan, eenduidig en gebald, het volume. Waarna we dit volume confronteren met het programma en het ene het ander nader kan verklaren – of tegenspreken. Beide zijn interessant. Het is een heel vruchtbaar moment omdat je er dan voor kan kiezen om de nadruk op het ene of het andere te leggen, en je zo het ontwerpproces kan sturen. Dit gebeurt steeds op de grens tussen het rationele en het emotionele, het pragmatische en het intuïtieve, het functionele of structurele en het buikgevoel.

LDV + IS: Zijn er in de verschillende lijnen die jullie uitgezet hebben, sleutelprojecten aan te duiden die gamechangers zijn, die dingen in gang gezet hebben, die een nieuwe fase hebben ingeleid?

YM + KV: De start was natuurlijk cruciaal. We zijn ooit met zijn drieën begonnen. Niet onbelangrijk in ons verhaal is dus ook Joost Verstraete, met wie we URA hebben opgericht. Dat is eigenlijk organisch gegroeid vanuit onze studentenperiode. De polyvalente zaal in Eeklo is er als eerste project gekomen. Het was meteen een publieke opdracht, wat zeker niet vanzelfsprekend is voor zo’n jong bureau. Dankzij deze kans hebben we andere publieke projecten kunnen uitvoeren en ons bureau verder kunnen uitbouwen.

Door onze manier van werken is er een zeer grote kruisbestuiving tussen de verschillende projecten. Bepaalde thema’s ontstaan natuurlijk op een gegeven moment, en krijgen later een vervolg. Bijvoorbeeld het busstation van Brugge is eigenlijk 10 jaar voordien ontstaan met onze studie BXL100, waarin we gefocust hebben op de publieke ruimte en kleine ingrepen hebben voorgesteld om die spannender en aangenamer te maken. In die studie zat echt onze manier van kijken vervat, en ook ons geloof dat je met kleine acties een grote verandering teweeg kan brengen.

KAU, de sporthal in Ukkel, is ongetwijfeld belangrijk geweest, omdat we daar de bouwheer hebben kunnen overtuigen om er meer van te maken dan een banale turnzaal. En al die kleine facetten geven telkens meer bagage om aan een volgend project verder te werken.

Er zijn natuurlijk ook wel periodes. Toen Joost URA verliet, hebben we besloten om het bureau toch verder te zetten. Ongetwijfeld is het sculpturale element er op dat moment meer in gekomen omdat we ons meer op architectuur an sich gingen richten. Het activisme zat nog wel verwerkt in onze projecten, maar verdween als een autonoom onderzoek in onze praktijk. Nu focussen we meer dan vroeger op zuivere architectuurprojecten, zonder dat de kleine schaal overigens minder belangrijk wordt.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief