Gepubliceerd op 28.10.2021 | Tekst: Véronique Patteeuw

A+ Lecture by Xaveer De Geyter

Op 4 november 2021 nodigen A+ en Bozar Xaveer De Geyter uit om een lezing te geven over zijn oeuvre.

Men beweert wel eens dat de kracht van een ontwerper afneemt, naarmate hij of zij dichter bij de pensioengerechtigde leeftijd staat. Het vroege werk van Nouvel, Perrault, Gehry, Hadid, Koolhaas of Herzog en De Meuron fascineert, terwijl het latere werk al eens vragen oproept. Op een eigenzinnige manier gaat die bewering niet op voor Xaveer De Geyter Architects. Al dateren radicale en provocatieve projecten zoals het Europakruispunt, het Museum aan de Stroom (MAS) in Antwerpen, of After-Sprawl ondertussen uit een (ver) verleden, recent werk getuigt nog steeds van eenzelfde subversie. XDGA Architects viert dit jaar zijn 30ste verjaardag en toch ziet Xaveer de Geyter (°1957) weinig reden om stil te staan: ‘Ik heb geen tijd om terug te kijken, ik ga gewoon verder.’

Veronique Patteeuw In 2004 gaf je een lezing in het Palais de Chaillot in Parijs. De toenmalige directeur, Francis Rambert, introduceerde je aan het publiek als een ‘architect-stedenbouwkundige’ met een fascinatie voor de stedelijke materie: ‘de stedelijke materie houdt hem bezig, prikkelt hem, windt hem zelfs op.’1 Hoe kijk je vandaag, bijna 20 jaar later, naar die uitspraak? Is de ‘stedelijke orde’ die je toen nastreefde, veranderd?

Xaveer De Geyter Ik denk dat die uitspraak nog steeds klopt: de stad blijft voor ons het meest interessante werkveld. Maar ik weet niet of het om orde draait. Het stedelijke kan net zo goed met wanorde worden geassocieerd. Wij vinden dat er bij het ontwikkelen van een gebouw evenveel moet worden nagedacht over de omgevende, niet-gebouwde ruimte als over de gebouwde. Dat proces en de wisselwerking tussen beide is interessanter in de stad dan simpelweg ergens op een stuk gazon. Natuurlijk is het zo dat de stad evolueert en dat er vele soorten stad bestaan, maar de fascinatie blijft. Bij ons is ‘context’ overigens een ruim begrip. Het slaat op ongeveer alles. Alle omstandigheden – fysieke, programmatische, politieke – kunnen voor ons een trigger zijn om een architecturaal concept te ontwikkelen. Ons werk bestaat er dan ook eigenlijk in om een keuze te maken uit al die triggers. Dat kiezen gebeurt niet op een erg wetenschappelijke manier, maar ontwikkelt zich door ‘te prutsen’. We hopen telkens opnieuw tot conclusies te komen die een bepaalde evidentie hebben.

VP Die evidentie zie ik vaak in projecten die vanuit hun architectuur aan de stad bijdragen. Architectuurcritica Françoise Fromonot beschrijft die aanpak in haar tekst ‘Manières de classer l’urbanisme’ als een ‘urbanisme de programmation’, een vorm van stedenbouw waarbij je de stad aan de hand van architectuur maakt. Jullie recente projecten – Melopee in Gent en het Provinciehuis in Antwerpen – lijken die these te staven. Zijn ze bedacht vanuit hun ambitie voor de stad?

XDG De tekst van Françoise is een interessante tekst. Ja, waar dat mogelijk is, zijn sommige van onze projecten vanuit die stedenbouwkundige logica van ‘programmation’ te begrijpen. Maar dat is lang niet mogelijk bij elke vraag. Wat Fromonot beschrijft, gaat op voor projecten zoals Euralille (Rijsel) of Les Halles (Parijs), of ook voor het Europakruispunt of Rogier (beide in Brussel), maar dat zijn plekken die zich als hotspots in de stad aandienen. Je moet over een bepaalde dichtheid en programmamix beschikken om dat soort stedenbouw te kunnen realiseren. Het masterplan van Saclay in Parijs, een project waar we al twaalf jaar aan werken, kun je bijvoorbeeld niet onder die noemer scharen. Het gebied is enorm groot, en hoewel het om duizenden nieuwe vierkante meters gebouw gaat, is daar toch geen sprake van superconcentratie. In Saclay is de schaal overigens van dien aard dat je andere middelen nodig hebt om stedelijke substantie te maken. Dat is het grote verschil tussen de klassieke stad en de ‘Instant City’: we hebben de context in Saclay deels zelf moeten scheppen. Omwille van die enorme schaal was de eerste stap om nieuw landschap toe te voegen aan de bestaande topografie. Binnen dat ontworpen, landschappelijk kader kan nieuwe stedelijkheid ontstaan.

VP In Melopee, jullie recent opgeleverde school in Gent, ligt dat anders. Dat gebouw heeft voor mij een groot stedenbouwkundig potentieel. Het heeft een bepaalde dichtheid, een programmatische verscheidenheid en een voetgangersparcours dat het publiek het gebouw binnentrekt. Het draagt bij vanuit zijn schaal en programma aan de stad.

XDG Het project in Gent is eigenlijk een schot voor open doel. Enerzijds is er de fysieke context: een smalle 70 meter diepe strook stad langs het water. Vervolgens is er een heel beperkt bouwterrein voor de school, gelegen met de korte kant aan het dok. Tot slot is er de programmatische vraag én de vrijheid die ons werd gegeven. We dienden een aantal binnenen buitenruimtes te realiseren die samen opgeteld drie keer groter zijn dan het bebouwbaar terrein. In zo’n situatie wordt het plots mogelijk – ook voor een opdrachtgever – om speelplaatsen op elkaar te stapelen. En die mogelijkheid leidde al snel tot de voorgestelde constellatie: een heel compact gebouw dat alle binnenruimten omvat, en aan de waterkant een open skelet waarin alle buitenruimten opgehangen zijn. Op het maaiveld loopt de publieke passage tussen deze twee door. Dat levert een extravert gebouw op dat stedelijkheid genereert en dat het gezicht van de nieuwe wijk kan worden. Soms hoop ik stiekem dat de plantengroei op de gevelstructuur mislukt, om de relatie met de stad nog groter te maken.

VP Zit er een bepaalde monumentaliteit in projecten zoals Melopee en het Provinciehuis? Is monumentaliteit voor jullie een van de manieren om stedelijke architectuur te maken?

XDG Het hangt er van af wat je met monumentaliteit bedoelt. Maar als je kinderen ziet rondstuiven in die gestapelde open ruimte die ook nog eens vrij fors is qua schaal, dan wel, ja. Monumentaal is ook de manier waarop het geheel zich tot het water verhoudt. De transparantie van de kooi laat toe dat ook de achterliggende binnenruimtes een zicht op het water en op de stad krijgen. Bij het Provinciehuis was het basisuitgangspunt dan weer de binnenstad met haar weinige groene ruimtes. Nagenoeg het volledige terrein is openbaar groen geworden, waardoor het nieuwe gebouw een vrijstaand ding midden in de stad is geworden. En dat alles wordt versterkt door de volumetrie, de gevel, en de vorm van de ramen.

VP Zijn er verschuivingen in de stedelijke context te merken, die het voor jullie als architecten makkelijker, moeilijker of interessanter maken om er te werken? Laten we Brussel als voorbeeld nemen.

XDG Brussel is opgestaan uit een zeer bar klimaat. Maar dat gebrek aan aandacht voor kwaliteit zagen wij als de totale vrijheid. Het betekende voor ons dat er een braakland openlag dat we konden invullen met de papieren projecten die we toen ontwikkeld hebben. Dertig jaar geleden hadden we in Brussel minder met dogma’s te maken dan vandaag. Die zogenaamd geweldige symbiose tussen beleid, bouwmeesters, kwaliteitskamers en realisaties die we vandaag kennen, geeft mij het gevoel dat we in een soort voorgekauwde wereld opereren. Het spectrum of het potentieel van een opdracht wordt erdoor gereduceerd en vaak krijg je het gevoel dat architectuur decoratie wordt van een stedenbouwkundig plan of van een beleidslijn. Architectuur als behangpapier.

VP De klimaatverandering is vandaag een brandend thema dat menig architectuurdebat monopoliseert. In jullie projecten zie ik weinig van de nu erg modieuze thema’s zoals circulaire economie, alternatieve materialen, participatie, bottom-up acties of transformatie opduiken. Je richtte je bureau op in een periode waarin het autonome object als drager van betekenis centraal stond. Hoe staan jullie in een architectuurveld gepolariseerd tussen architecten die kiezen voor de autonomie van de architectuur en anderen voor haar dienstbaarheid?

XDG De vergissing bestaat erin dat al die thema’s met architectuur worden verward. Wat betreft autonomie of dienstbaarheid stel ik me de vraag of het of-of is. Wij zijn niet voor één gat te vangen. Het Provinciehuis voldoet op heel veel vlakken aan de verzuchtingen van de opdrachtgever; het heeft een heldere relatie met Antwerpen en het is behoorlijk duurzaam, maar dat belet niet dat het een autonoom gebouw is. Dat geldt ook voor het Rogierplein. De luifel kan als een vreemde eend in de bijt worden gelezen, maar het hele project is extreem precies aan de context gerelateerd; het brengt de ondergrond in symbiose met de bovengrond en het verbindt de binnenstad met de Noordwijk. Dat gaat op voor veel van onze projecten. Ik ben geneigd om dienstbaarheid een vies woord te vinden, maar uiteindelijk is de tegenstelling vals wat mij betreft.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief
  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.