Gepubliceerd op 18.11.2021

De evolutie van de stad is geen wandeling in het park. Om de stad klaar te stomen voor de uitdagingen van morgen, moet het stedelijk bestuur zich permanent kunnen vernieuwen. In Brussel dringt zich vandaag een nieuwe manier van samenwerken tussen beleid, het professioneel veld en burgers op. Een nieuwe manier van stad maken, vanuit een gedeeld stadsverlangen.

Brussel is op dat vlak niet aan haar proefstuk toe. Na jaren van “bruxellisation” gingen er in de jaren 70 stemmen op voor de wederopbouw van de traditionele stad en werd er gepleit om burgers een grotere rol te geven in het stedelijk debat. Later, in de jaren 2000 zagen nieuwe instrumenten het levenslicht. De Brussels Bouwmeester “BMA”, een agentschap stedenbouw, het huidige ‘Urban’ en het publieke opdrachtgeverschap werden uitgebouwd om vanuit de overheid meer grip te krijgen op de stedelijke ontwikkeling.

In welke stad willen we leven?

Vandaag dwingen de combinatie van de gezondheids- en klimaatcrisissen en de grote ongelijkheid in Brussel ons om de kaarten opnieuw te schudden.

Net zoals in de jaren ‘70 steken allerlei initiatieven, comités en verenigingen de kop op die meer betrokken willen worden en de transitie willen versnellen. Ze stellen allen de centrale en legitieme vraag: “In welke stad willen we leven?”

Het momentum vraagt om een antwoord, maar biedt ook een unieke kans om samen een nieuw, positief en toekomstgericht stadsproject op te bouwen. Voor ‘Le Grand Paris’ spreekt Fin Geipel over de “zachte metropool”. Is dit ook toepasbaar op Brussel? Kan Brussel haar status als metropool opnemen rekening houdend met een evenwichtige bevolkingsdichtheid? Brussel die zowel haar gebouwde ruimte als haar open, groene ruimte naar waarde schat. Een solidaire en gastvrije stad, met een divers woonaanbod, die de bodem onthardt en die groene en ecologische netwerken opzet, die ruimte maakt voor lokale productie,… Een begeerlijke stad waarin men zich goed voelt en zich herkent.

Bestuur zonder richting

De stad waar we naar verlangen, lijkt ons echter steeds meer door de vingers te glippen. Het lijkt wel alsof de stedelijke democratie verzwakt op een moment dat ze net sterk zou moeten staan om de uitdagingen van de toekomst aan te gaan.

Verscholen achter de nieuwe organen die in het leven zijn geroepen, zijn politici afwezig in het debat en al te vaak gefocust op de korte termijn. Burgerparticipatie wordt als een alibi gebruikt en de procedures en regelgeving worden steeds langer en ingewikkelder. Bij de minste betwisting worden genomen beslissingen in vraag gesteld of teruggeschroefd. Impopulaire maar essentiële projecten, zoals de kilometerheffing en de belofte om werk te maken van sociale woningen, worden geschrapt of op de lange baan geschoven.

Voor de stadsplanning en zijn professionals – de architecten en de stedenbouwkundigen-, die per definitie op de lange termijn zijn gericht, is het publieke zwaktebod tergend. Geconfronteerd met een regelgevingsmonster aarzelen ze steeds meer om de arena te betreden. Ze lopen het risico afstandelijk, te technisch en los van de realiteit in het veld te kijken.

Hoewel de burgers nog nooit zo gemobiliseerd waren, hebben zij vandaag nauwelijks inspraak in de besluitvorming. Ze slagen er niet in om echt gehoord te worden. Sommigen proberen de aandacht te vestigen op problemen en proberen het debat aan te zwengelen. Anderen kunnen dankzij de populistische tendensen eenvoudig procedures blokkeren, desinformeren, NIMBY laten zegenvieren en zodoende de aandacht wegnemen van de breder context en de echte uitdagingen.

De indruk ontstaat dat iedereen de blik vernauwt en zich terugtrekt in zijn eigen logica, in zijn eigen strijd. Op individueel niveau zijn er initiatieven en competenties, maar er is een gebrek aan een duidelijke richting, een kader, een gedeelde visie en een gemeenschappelijke ambitie.

Een conservatieve drift

De vraag naar een gedeeld stadsverlangen is van essentieel belang omdat de huidige situatie niet zonder gevolgen is. In de zwakte van het stadsdebat tekent zich een steeds duidelijkere conservatieve tendens af waarin de visie op Brussel degene is van het 19de-eeuws dorp. De ‘versteende stad’, zoals de beroemde cartoonist Schuiten het beschreef. Een stad waar niets mag bewegen, een stad die globale uitdagingen negeert. Het logische gevolg is een bijna viscerale angst voor elke transformatie, voor elke constructie, voor elke hedendaagse architecturale vorm. Toch moeten steden zich aanpassen aan hun tijd en zijn de antwoorden op de crisissen urgent.

Het debat over de stad nieuw leven inblazen

Als het debat niet goed op de actoren is afgestemd, verspilt iedereen zijn tijd en beantwoorden we de dringende noden van het moment niet. Wat kunnen we dan doen?

Het is van essentieel belang om op een andere manier stad te maken. We stellen hiervoor een nieuwe driehoeksverhouding voor tussen politici-deskundigen-burgers. Die moet in staat zijn om opnieuw een collectieve dimensie op te bouwen en een vernieuwd stadsproject te definiëren. In die driehoek, zijn overheidsinstanties zich meer bewust van hun plaats en hun rol; zijn deskundigen meer aanwezig in het veld en het debat en krijgen geëngageerde, kritische burgers een echte stem.

Deze reflectie vindt best plaats op een plek waar de drie families van actoren kunnen worden samengebracht. Wij pleiten om het CIVA (Internationaal Centrum voor Stad en Architectuur) om te vormen tot een plaats voor acties, experimenten, reflecties, ontmoetingen, feesten, actie die de wijken in gaat, een plek waar de diversiteit van de Brusselaars plaats kan vinden, waar de belangrijkste stedelijke kwesties kunnen worden geobjectiveerd en besproken om zo de finaal de praktijk van “stad maken” te veranderen. Er is geen gebrek aan inspiratiebronnen: “Arc en rêve” in Bordeaux, “Stadsform” in Antwerpen, Pavillon de l’arsenal in Parijs, enz.

Net zoals de “Staten-Generaal” burgers in dialoog wil brengen met academici, verenigingen en politiek, geloven wij in een vorm waarin de actoren de gewenste stad van morgen samen kunnen opbouwen en verdedigen. In een samenleving die steeds complexer wordt, is er nood aan nuance, nood om het niveau op te krikken en aan een culturele context die gunstig is om de gewenste stad van morgen te bewerkstelligen.

Tekst mede geschreven door

Olivier Bastin (architect, ex brussels bouwmeester, L’Escaut) Oana Bogdan (architect, Bogdan-Van Broeck), Abdel Boulaioun (architect, Multiple), Antoine Crahay (geograaf, stedenbouwkundige, CityTools), Gilles Debrun (architect, Usages), Aglaée Degros (architect, stedenbouwkundige, Artgineering), Lisa De Visscher (hoofdredactrice van A+, architecture in Belgium), Dimitri Fache (architect, Usages), Jean Louis Genard (socioloog, ULB-La Cambre), Kelly Hendriks (architect, B-ILD), Nicolas Hemeleers (jurist, stedenbouwkundige, CityTools), Dieter Leyssen (architect en stadssocioloog, 51N4E), Pablo Lhoas (Decaan van de faculteit Architectuur ULB-La Cambre), Benoît Moritz (architect, stedenbouwkundige, M-SA), Christophe Mercier (architect, stedenbouwkundige, Suède 36), Leo Van Broeck (architect, ex vlaams bouwmeester, Bogdan-Van Broeck), Guillaume Vanneste (architect, stedenbouwkundige, VVV), Ward Verbakel (architect, Plus Office), Annekatrien Verdickt (architect, architectuurplatform Terwecoren Verdickt), Apolline Vranken (architect, doctorante en architecture (ULB), L’architecture qui dégenre).

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief