Gepubliceerd op 09.03.2022 | Tekst: François Schreuer | Foto's: Maxence Dedry.

Op 24 februari vond in de grote zaal van het voormalige Sint-Gillishospitaal in Namen een nogal ongewone gebeurtenis plaats. Op de banken die gewoonlijk worden ingenomen door de leden van het Waals parlement, kwamen enkele tientallen vertegenwoordigers van de architectuurwereld samen. Niet enkel de bouwmeesters van het Vlaams Gewest, Erik Wieërs, van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Kristiaan Borret, en van de stad Charleroi, Georgios Maillis, waren aanwezig, ook vijf vooraanstaande politici maakten er hun opwachting. Op initiatief van het ICA (Institut Culturel d’Architecture Wallonie-Bruxelles) debatteerden ze over de mogelijkheid van een bouwmeester voor Wallonië.

Hoewel het voornemen al in 2019 uitdrukkelijk werd vermeld in de regeringsverklaring van de huidige gewestelijke meerderheid (PS-MR-Ecolo), is het in de ogen van vele waarnemers een zeer vaag tot onzeker vooruitzicht. “We hebben nog niet over de kwestie nagedacht”, gaf Olivier Granville toe, kabinetschef van minister Borsus en bevoegd voor het dossier. Deze kwestie ligt dan ook op het snijvlak van het Gewest en de Franse Gemeenschap (of de ‘Federatie Wallonië-Brussel’), waarvan de institutionele toekomst openlijk in vraag wordt gesteld.

De openbare zitting die live gestreamd werd, was op zich al een soort bekroning van het baanbrekende werk dat al minstens vijftien jaar wordt verricht door de Cellule.archi en Chantal Dassonville: eindelijk wordt het onderwerp op het hoogste politieke niveau serieus genomen en ligt de concretisering ervan in het verschiet.

Dit betekent niet, en zelfs verre van, dat het idee al gerijpt is binnen de Waalse politiek, waar de culturele uitdagingen van de publieke architectuurproductie over het algemeen weinig prioriteit of zelfs erkenning krijgen. De avond ging dan ook van onwetendheid (wie kent de Open Oproep in Wallonië?) over misverstanden tot herformuleringen en toonde aan dat er geen echte consensus bestaat over wat deze bouwmeesterfunctie nu precies moet inhouden.

Want hoewel het voorstel van de Cellule.archi, geïnspireerd op het oorspronkelijke Nederlandse model en de varianten daarop in het Vlaams en Brussels Gewest, vooral gericht is op het verbeteren van de selectieprocedures voor publieke architectuurprojecten, ziet de nog aarzelende Waalse politiek de dingen meteen veel grootser, met een hypothetische bouwmeester die niet alleen wordt gezien als de drager van een zeer brede technische expertise – die veel verder gaat dan die van de uitvoerders van de publieke architectuuropdracht – maar ook van een stedelijke, territoriale en sociale visie.

Tegenover de zeer liberale figuur uit het noorden, van een bouwmeester wiens eerste kwaliteit onafhankelijkheid is, die niet aangesloten is bij de bestaande diensten en wiens opdracht duidelijk omschreven is zowel qua doel als in de tijd (een mandaat van 5 jaar), aarzelt debouwmeester van Charleroi, Georgios Maillis, niet om zich voor te stellen als de “gewapende eenheid van het gemeentecollege”. Hij wijkt hiermee grappend af van de oorspronkelijke titel, maar heeft wel degelijk een overtuigende staat van dienst in het herdefiniëren van het publieke imago van zijn stad en in het sturen van een eindelijk gestructureerde en heldere visie voor het grondgebied. Het kabinet van de minister liet zich niet uit het veld slaan toen, Olivier Granville uitlegde dat de drie stedenbouwkundige bureaus onlangs, na de overstromingen, door het gewest ingehuurd om te werken aan een masterplan voor het Vesderbekken, konden worden beschouwd als drie “proefbouwmeesters”. Deze verschuiving van het louter procedurele naar een bredere benadering wekte bij sommigen enige ergernis op, maar het zou verkeerd zijn dit niet serieus te nemen. Gaan de ‘research by design’-processen die in Brussel worden toegepast, ook niet verder dan louter procedures?

Er worden echter ook angsten geuit. Zo vraagt minister Collignon zich af of zodra de culturele ambitie – de wedstrijd – voorrang krijgt op de knowhow van de huidige projectleiders en op de strenge controle van de projectauteurs door de administratie, de architectuuropdrachten qua termijnen en budgetten niet onbeheersbaar zullen worden voor de lokale overheden die het nu al moeilijk hebben? De ‘mededingingscultuur’ wordt ook ter discussie gesteld door de directeur van het agentschap voor economische ontwikkeling van de Luikse intercommunale, die erop gebrand is “alle projectauteurs naar een hoger niveau te tillen”. De relatie met de gedelegeerde ambtenaren – wier rol in de praktijk verre van beperkt is tot het achteraf verwerken van ingediende vergunningsaanvragen – geeft aanleiding tot enige bezorgdheid. Net zoals het vermogen van een gewestelijk systeem om adequaat in te spelen op de schaaldiversiteit van de publieke bouwheren. (De kwestie van een gepaste territoriale schaal werd overigens verschillende keren aangehaald maar blijft onbeslist.)

Deze angsten en uiteenlopende visies zijn belangrijke obstakels om voor de lente van 2024, en dus voor het einde van de huidige legislatuur, een wettekst op tafel te leggen. Dit is zowel te wijten aan de bovengenoemde onenigheid, maar als ook aan de overdereven ambities: op de schouders van een bouwmeester wordt een te zware last die gelegd hoewel deze op zich al een enorme taak heeft in het ondersteunen van de overheidsopdrachten van verschillende honderden entiteiten.

Ze kunnen echter ook het begin zijn van de bouw van een bijzonder bouwmeesterconcept, dat rekening houdend met de enorme marge voor vooruitgang die Wallonië op dit gebied heeft en met een beperking van de reikwijdte van de opdracht, mee zal worden gedefinieerd op basis van de culturele verwachtingen binnen het Waals Gewest.

In hoeverre is de definitie van een architectuurprocedure politiek? Deze toch wel interessante vraag werd op 24 februari gesteld en we kijken in de komende maanden uit naar de antwoorden hierop.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief
  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.