Gepubliceerd op 09.03.2022 | Tekst: Jolien Naeyaert

Dit is een herwerkte versie van een tekst die Jolien Naeyaert op vraag van het Vlaams Architectuurinstituut voordroeg bij de opening van Tafelzetting #0 op 20 januari 2022 in deSingel in Antwerpen. Voor meer informatie over de reeks Tafelzettingen: vai.be

In het huis van mijn grootmoeder hangt de leuze “spreken is zilver, zwijgen is goud”. Rond de keukentafel van mijn ouderlijk huis, werd al eens het motto “als je niet weet wat je wilt in het leven, zal je nooit nergens zijn” uitgesproken. De dubbele negatie is hier letterlijk neergeschreven uit het gesproken West-Vlaamse woord, al eindigt deze na vertaling eerder in, “nooit ergens zijn”.

Ik zal niet zwijgen. Integendeel. Ik zal spreken. Al zal ik dit bewust niet doen vanuit rechtlijnige zekerheden en éénduidige waarheden maar eerder vanuit het stellen van vragen. Ik omarm de twijfel en neem je mee op een tocht met kronkels en omwegen. Het is iets wat ik wel vaker doe in wat ik mijn ‘Praktijk van het dwalen’ noem. Hoewel ik dan fysiek op pad ga, zonder bestemming, neem ik je hier mentaal mee in mijn ‘Errance’, om het op zijn Raymond Depardons te zeggen. Ik schrijf je autonoom, vanuit mijn eigen naam, zijnde Jolien Naeyaert; ingenieur architect en beeldend kunstenaar. Al zal dat schrijven, geheel of niet bewust, beïnvloed zijn door de vele gesprekken die ik tot op heden heb gevoerd. Dialogen uit de realiteit of uit de verbeelding, gezien mijn gesprekspartners niet alleen mensen maar ook wel eens boeken, landschappen, of kunstwerken kunnen zijn. Als architect kan je geen verbeelding genoeg hebben. Zo beschouw ik het onze taak niet alleen de fysieke en virtuele ruimte vorm te geven, maar evenzeer de mentale ruimte. Zo ga ik – al dan niet denkbeeldig – wel eens met volgende partners in gesprek: Audre Lorde, Wim Cuyvers, Bart Verschaffel, Susan Sontag, Hans Bryssinck, Renaat Braem, Patti Smith, Marie-José Van Hee, Maarten Delbeke, Paul Robbrecht, Chantal Akerman, Anna Luyten, Mona Chollet, Hilde Daem, Pina Bausch, Virginie Despentes, Anne Philippe en de mensen die mijn denken en zijn door elkaar hebben geschud. Maar hoezeer ook dialoog centraal staat in mijn praktijk, schrijf ik je deze brief geheel alleen.

Opgroeiend in een aannemersfamilie, hoorde ik van kinds af aan mijn ouders zich vaak zorgen maken over het wegvallen van goede vakmannen die hun ‘stiel’ nog kennen. “Wie zal het ‘gat’ opvullen de komende decennia, wie zal het werk nog ‘kunnen’ en méér nog ‘willen’ doen?”, klonk het. Reeds vanuit de scholen uit, werd het leren van een ‘stiel’ niet langer aangemoedigd. ASO was hét grote voorbeeld, een weg die ook ik toen ben ingeslagen; de intellect getrainde jobs tegemoet. Vandaag droom ik paradoxaal genoeg van een job waar ik meer met mijn handen, en als het kon, met mijn hele lichaam zou kunnen werken. Had ik de job van architect even anders ingeschat? Reeds vóór de corona uitbraak, maar des te meer tijdens de pandemie, was en ben ik gedesillusioneerd. Hebben wij met zijn allen daarvoor geknokt? Om een leven te leiden voor een computerscherm? Of zegge maar ‘scherm’, want het blijft niet enkel binnen de werkuren. Als je wil kan je tegenwoordig je hele leven doorbrengen achter scherm; je werk achter je computerscherm, je sociale leven achter dat van je smartphone, je vrije tijd achter eender welk venstertje waarop je Netflix kan bingewatchen of e-books kan lezen. In tijden van pandemie lijkt de mens als maar sneller door te razen achter zijn werktuigen van overefficiëntie. Moeten we nu niet net het scherm de rug toekeren? Al was het maar om iets beter te kunnen luisteren naar onze aardbol die al zo lang en tevergeefs naar ons zit te schreeuwen: Halt! Error.

Duurzaamheid, ecologie, EPB,… worden reeds jaren op ons bord gesmeten. Al doen we met z’n allen ons uiterste best, steeds meer lijken we onszelf vast te rijden in de greep van het kapitalisme. Ventilatiesysteem D en zonnepaneel hier, passiefwoning en nieuwbouw daar. Afvalberg en recyclage ten spijt? Geen papier noch notitieboek meer, tegenwoordig nemen we allen de laptop mee naar vergaderingen. Al komt van dat ‘vergaderen’ ook niet veel meer in huis, we communiceren liever via mail. Efficiënt, toch?! Niet alleen de ‘stiel’ van de vakman, maar ook die van de architect lijkt wel uit zijn handen genomen. Past een ontwerp of detail niet langer in een te quoteren excel- of rekenprogramma, begin er alsmaar niet aan. Naar de vaantjes met de inventiviteit! Wel mogen we tegenwoordig van manager spelen, die communiceert met experten van expertises, én nog meer managers die steeds minder de complexiteit van de bouw ambiëren maar de portemonnee gezond dienen te houden. Daar steekt het kapitalisme opnieuw zijn kop op.

Evenals mijn cynisme, maar als je het mij toelaat, ga ik nog even door.

Zo zitten we met zovelen, die architectuur hoog in het hart dragen, te functioneren in het vastgereden statuut van een vervreemde zelfstandigheid. Waar is die ‘orde van architecten’ ter onzer verdediging? En tuurlijk blijven we gestaag voort werken, voor de vooruit! Niet waar? Want we willen toch nog een beetje tijd vrijmaken voor creativiteit, tussen al die mails en exceltabellen door? Dan zullen we het wel doen voor wat minder. Zo gaat dat niet alleen binnen de moeder der kunsten, maar ook binnen de kunsten zelf. Ah! Voor de vooruit!? Vooruit waarheen? En ten koste van wat? Wie zal binnenkort nog de ‘stiel’ van architect of kunstenaar kunnen uitoefenen? Hoe kan creativiteit stand houden, wanneer die gekleurd wordt door de belangen van instituten, projectontwikkelaars, overheden, etc.? Teloor met de creativiteit! Wie boeit het nog, of meer, wie kan het zich verder nog veroorloven? Zullen we werk maken vanuit een niche voor een niche? Kunst voor kunstenaars? Intellect voor intellectuelen? Architectuur voor architecten?

Naast een pleidooi voor de twijfel, voer ik een pleidooi voor de contradictie; Mag ik tegelijk vrouw en man zijn? Nu eens links, dan rechts? Tegelijk ingenieur, architect en kunstenaar? Nu eens westers dan misschien oosters? Tegelijk dorps en stads? Nu eens jong, dan weer oud? Tegelijk Vlaams, Waals en Brussels? Nu intellect, dan weer gevoelsmatig? Vastberaden, dan twijfelachtig? Nu virtueel, dan ook fysiek? Traag én snel. Alert én dromerig? Noord noch zuid? Vernieuwend én melancholisch? Toen bouwen, nu weer niet. Kunnen we onszelf toelaten om van tijd tot tijd van perspectief te veranderen en zich empatisch te verhouden tot wat anders is, tegen polarisatie in? Kunnen we ruimtes en landschappen ontwerpen waar meerdere ordeningen, denkpatronen en bestaansvormen mogelijk zijn? Kan het begrip ‘queer’ ons inspiratie bieden? De kracht van marges, achterkanten en heterotopische ruimtes inzetten tot landschappen waar transformatie thuis is. Geen ruimtes ontwerpen volgens codes die obsoleet zijn geworden maar plekken creëren die een maatschappij in verandering welkom heet. Ook een maatschappij die het (nog) niet weet, die twijfelt of contradictorisch is.

Laten we de architectuurpraktijk heruitvinden! Naar een nieuwe autonomie: één van collectiviteit, inclusie, uitwisseling én zintuiglijkheid. En daarmee bedoel ik een sensitiviteit die voorbij het zintuig van het oog alleen gaat; tactiliteit, lichamelijkheid. Al was het maar om terug geconnecteerd te geraken met hetgeen ons fysiek omringt. Sinds de Renaissance lijken we wel letterlijk UIT onze omgeving gestapt. Sindsdien kijken we ernaar vanop een afstand, ingekaderd en overzichtelijk. Een landschap dat we kunnen controleren, ordenen, definiëren. Koloniseren? Kapitaliseren? In deze tijden van social media, Insta indrukken en 3D renders, heeft ons visueel zintuig nog nooit zo zege gevierd. Je voelt het in de relatie die we aangaan met onze omgeving. Stop! Weg met dat ingekaderde zicht! Stap in plaats van UIT, terug IN je omgeving. Voel, hoor, wees, en ontwerp van hieruit. Vanuit die corporaliteit, zonder OVERzicht, eerder met INzicht. Soms is ‘niet zien’ wel eens beter dan ‘zien’. Dan begin je te ‘kijken’ op een andere manier. Wanneer het mij overkomt dat ik het niet meer zie, dan luister ik graag. Naar Audre Lorde bijvoorbeeld, die spreekt over ‘Eros’ en lichamelijke kennisvormen in haar essay; ‘Uses of the Erotic: The Erotic as Power’:

“When we live outside ourselves, and by that I mean on external directives only, on what is expected of us, rather than from our internal knowledge and needs, when we live away from those erotic guides from within ourselves, then our lives are limited by external and alien forms, and we conform to the needs of a structure that is not based on human need, let alone an individual’s. But when we begin to live from within outward, in touch with the power of the erotic within ourselves, and allowing that power to inform and illuminate our actions upon the world around us, then we begin to be responsible to ourselves in the deepest sense. For as we begin to recognize our deepest feelings, we begin to give up, of necessity, being satisfied with suffering and self-negation, and with the numbness which so often seems like their only alternative in our society.”[1]

Woorden van 1978, gebundeld in haar boek, Sister Outsider. Ik schrijf het hier neer en nodig je verder uit fysiek samen te komen zodat het document van deze brief niet in een monoloog vervalt maar tot dialoog kan verworden.

[1] LORDE, A., (1984). Sister Outsider. Essays & speeches by Audre Lorde. Ten Speed Press, Crown Publishing, New York, p.58

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief
  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.