Gepubliceerd op 04.12.2020 | Tekst: Pieter T'Jonck

Op 16 november maakte de Stad Gent de winnaar bekend van de Open Oproep voor de renovatie van het ICC – het Internationaal CongresCentrum – en een masterplan voor het aanpalende Floraliënpaleis in het Citadelpark. Het werd het team rond 51N4E en NU Architectuuratelier. Het ICC is echter maar één van de drie organisaties die tegen het ‘paleis’ uit 1913 aanleunen. Dat doen ook de Velodroom (‘het Kuipke’), en het SMAK, het museum voor actuele kunst dat onder Jan Hoet wereldroem verwierf. Die zijn ook betrokken in dit verhaal, zij het in tweede orde. Tot eenieders verbazing haalde het SMAK meteen daarna, in het weekend van 29 november, alle kranten met een eigen voorstel voor de site. Op maandag 30 november zetten een debat en een publicatie het geheel nog meer in de verf.  ‘Le musée et son double’ is het geesteskind van ex-Vlaams Bouwmeester Peter Swinnen. Hij verdubbelt het museumvolume door het te verdelen over de huidige locatie en het ‘Azalearestaurant’ of ‘Casino’ aan de andere zijde van het Floraliënpaleis. Dat gebeuren overschaduwt, beconcurreert zelfs het bekroonde masterplan van de stad. Het SMAK is nochtans onderdeel van een Autonoom Stedelijk bedrijf. Wat is hier aan de hand?

Swinnen en Philippe Van Cauteren, directeur van het SMAK, presenteerden het project ‘Le musée et son double’[1] in de vorm van een grootse maquette. Je ziet er hoe de Floraliënhall aan beide uiteinde geflankeerd wordt door een identiek kopgebouw dat lijkt op het huidige SMAK. Intrigerend is echter vooral de ruimte die zweeft onder de vloer van de grote hal: een soort depot dat met wenteltrappen te bereiken is vanuit de Floraliënhall. Het lijkt het ei van Columbus. Door het Museum te spreiden over twee gebouwen – die voortborduren op de bestaande kopgebouwen van de Floraliënhall – krijgt het SMAK de mogelijkheid om in het huidige gebouw tijdelijke tentoonstellingen te houden en in het andere tegelijk zowat 500 stukken uit de collectie permanent te tonen. Dat is nu gewoon onmogelijk. Bovendien kan de infrastructuur voor tijdelijke tentoonstellingen op een vruchtbare manier gedeeld worden met het aanpalende Museum voor Schone Kunsten (MSK), dat nu ook steeds weer moet kiezen tussen de vaste collectie of tijdelijke tentoonstellingen. Maar de kers op de taart is wel dat ondergronds depot: het geeft het SMAK voor een zacht prijsje eindelijk de middelen om zijn collectie op een degelijke manier te bewaren en te restaureren.

Dat Van Cauteren zo’n idee lanceert is begrijpelijk genoeg, want het huidige Museum is veel te klein en in museaal opzicht ondermaats. Verwonderlijk is echter dat Swinnen en zijn bureau CRIT hier als architect van het SMAK, dus niet van de stad Gent, verschijnen, want hij nam in samenwerking met het Franse bureau Lacaton-Vassal ook deel aan de Open Oproep voor het ICC, een wedstrijd die hij nipt verloor. Minstens even merkwaardig: impliciet pleit het project van Swinnen ervoor om het ICC af te breken en zelfs het ‘Kuipke’ van zijn dak en een hoop aanbouwsels te ontdoen. Het huidige complex verandert zo totaal van aard: het wordt een open hall, een publieke ruimte die als bindteken werkt tussen de twee delen van het Museum, met het ‘Kuipke’ als annex. Wou Swinnen op deze manier zijn gram halen voor een verloren wedstrijd?

Zo simpel ligt het zeker niet. De keuze tussen 51N4E / NU en het team CRIT liet erg lang op zich wachten: de bekendmaking volgde pas een jaar na het afsluiten van de Open Oproep al werden de teams al voor de zomer op de hoogte gesteld. Voor de stad een beslissing nam was er nog een tweede ronde met enkel 51N4E / NU en CRIT / Lacaton-Vassal als resterende kandidaten. Dat wijst al op enige nervositeit in het dossier van het Citadelpark dat al lang op de lever van het stadsbestuur ligt. Naar verluidt zou er bij schepen van Cultuur Sami Souguir (Open VLD) zelfs behoorlijk wat genegenheid bestaan voor de idee van een ontdubbeld SMAK. Hij was door Van Cauteren ook op voorhand verwittigd over deze ‘move’. Steven Heyse, de kabinetschef van Souguir reageert dan ook heel ‘cool’ op de situatie: ‘Wij beschouwen dit project niet als een uitgewerkt plan, maar als een idee dat tot nadenken stemt. In die zin is het welkom. Het SMAK is sowieso een lopende onderzoeksvraag bij de stad, zeker nu we meedingen naar de titel van Culturele Hoofdstad van Europa in 2030. We willen daarmee landen in het voorjaar van 2021, in aansluiting op het masterplan’. Wat hij er niet bij zegt is dat die onderzoeksvraag ondertussen belandde bij 51N4E / NU, als uitbreiding van de masterplanstudie. Een vreemde situatie, toch?

Een geschiedenis die een lange schaduw vooruitwierp

Om de inzet van dit verhaal te snappen is het belangrijk om terug te blikken op de geschiedenis van Floraliënpaleis en het Citadelpark. Het Citadelpark is één van de grootste stadsparken in België. Met zijn oppervlakte van ca. 350 x 550 m overtreft het ruim het driehoekige Antwerpse stadspark (basis 470 m, hoogte 500 m), het Warandepark in Brussel (320 x 430 m) of het Leopoldpark in Oostende (200 x 250 m). In de vroege 19e eeuw verrees op dat terrein de Hollandse Citadel: het park diende toen als ‘glacis’. Dat bastion ging rond 1870 tegen de vlakte om vanaf 1875 plaats te ruimen voor een romantisch park. De merkwaardige bomen en waterpartijen dateren al uit die tijd en waren ook reden om het te beschermen als Monument.

Ongeschonden bleef dat park niet lang. Tussen 1900 en 1904 bouwde de stad in de oosthoek ervan het Museum voor Schone Kunsten (MSK), naar plannen van Charles van Rijselberghe. Het onlangs gerestaureerde gebouw is een briljant neoklassiek ontwerp. Een tweede, ingrijpender aantasting van het park was de bouw van het Floraliënpaleis voor de wereldtentoonstelling Gent 1913. De kern ervan, een hal van 160 x 66 m (zo groot als het Sint-Pietersplein in Gent!) is een demonteerbare constructie van driescharnierspanten. Ze staat er nog steeds, al had ze na de Wereldtentoonstelling moeten verhuizen naar Kinshasa om er te dienen als stationshal. WO I stak daar een stokje voor. Rond die hal bevonden zich diverse annexen, zoals een ‘serre chaude’ op het noorden, een ‘casino’ aan de oostzijde, een ‘azalearestaurant’ aan de westzijde en een ‘salle des fêtes’ aan de zuidzijde.

Dat complex situeerde zich binnen de perimeter van de oude vijfpuntige omtrek van de Vauban citadel. Maar alsof Gent dit ‘moment de gloire’ uit zijn geschiedenis niet kon of wilde vergeten bleef het complex, in steeds nieuwe mutaties, en met talloze verbouwingen, verder leven. Het casino werd na WO II bijvoorbeeld heropgebouwd. De ‘salle de fêtes’ werd tussen 1972-1975 vervangen door een ‘Centrum voor Manifestatie en Congres’, het huidige ICC, naar plannen van Geo Bontinck. De ‘serre chaude’ werd de laatste reïncarnatie (1965) van de wielerpiste voor de Gentse wielerzesdaagse. Bij één of andere renovatie verloor de centrale hal zijn centrale daklicht. Het is er nu groezelig duister. Tenslotte werden aan weerszijden van het ICC extra volumes opgetrokken (de ‘Azaleazaal’ en de ‘Rode Poort’). Een ratjetoe met daaromheen dan nog een stelsel van dienstwegen.

De parkervaring leed enorm onder dat ondoordachte bouwen. De gebouwencluster in het midden is een bizarre ‘cadavre exquis’ of, beleefder gezegd, een palimpsest van verhalen die grotendeels doodliepen. Ondanks de ronkende naam ICC is de kolos van Bontinck geen succes, wordt het ‘Kuipke’ maar een paar dagen per jaar gebruikt, bezocht haast niemand in de laatste tien jaar nog de Floraliënhal en is de band tussen de Azaleazalen en het park onbestaande. Voeg daarbij een belabberd onderhoud van het park, en je hebt alle ingrediënten voor verloedering. Was het niet dat de omliggende buurt vrij welstellend is, dan zou dit park al lang een ‘no go’ zone geworden zijn. Maar zelfs nu is het er vaak niet pluis. Dat is heel veel Gentenaars, die terecht trots zijn op dit park, een doorn in het oog. Daardoor ligt de kwestie ook het stadsbestuur al tien jaar zwaar op de maag.

Het museum als succesverhaal?

Het enige succesverhaal in dit cluster is dat van het SMAK en het aanpalende MSK, die beide op een buitengewone collectie kunnen bogen. Bovendien groeiden ze allebei vanuit een burgerinitiatief – in de late 19e eeuw en aan de vooravond van de jaren 1960. In die zin zijn ze verwant (Jan Hoets eerste tentoonstellingen gingen trouwens door in het MSK, want hij beschikte toen nog niet over de ‘Rode Poort’ en het ‘Casino’, het huidige SMAK). De culturele roeping van de plek versterkte nog doordat de UGent vlakbij het GUM (Gents UniversiteitsMuseum) oprichtte. Maar occasioneel is ook het ‘Kuipke’ een attractiepool van formaat, want de wielerzesdaagse, dat is haast ‘immaterieel erfgoed’.

Niet dat hier geen problemen zijn. Het SMAK is een aanfluiting van het idee Museum. Van Cauteren spreekt zelfs ronduit van een gebouw dat poseert als een museum, maar er niet werkelijk één is. Hij heeft overschot van gelijk. Een Museum presenteert niet enkel werken, maar beheert, conserveert en ontsluit ook een collectie. Ook die minder zichtbare taken behoeven aangepaste ruimtes. Ik had recent de kans om de depots van het museum te bezoeken, en schrok van de erbarmelijke condities ervan. Maar ook de Museumzalen zijn niet geklimatiseerd en pover van lichtinval en ruimtewerking. Dat ziet zelfs een kind. Het gevolg van een koehandel tussen de stad en Jan Hoet die eind jaren 1990 al lang blij was dat hij een eigen stek kreeg om zijn collectie te tonen. Maar zoals een onderzoek van OYO Architects uit 2018 aantoonde kreeg hij maar de helft van de ruimte die hij behoefde, en was die daar noch qua klimaatbeheersing, lichtinval of architectuur op berekend. Het is om bij te huilen. Huidig directeur Philippe Van Cauteren blijft het herhalen.

Veel plannen, weinig voortgang

Terug naar vandaag. Of liever, eergisteren. In 2012 werd, na een Open oproep, een masterplan van A.J. Philippe Architectenbureau, Artgineering, H+N+S Landschapsarchitecten BV, Peter Kint Architecten en Pieter Walraet architect opgeleverd voor de herontwikkeling van de floraliënsite en het Citadelpark. De basismantra ervan was dat het Floraliëngezwel moest ingesnoerd worden om ruimte terug te geven aan het park. Nog zo’n ‘baseline’: de Floraliënhal moest een soort ‘rode loper’ in de stad worden, een publieke ruimte die zelfs dwars door het SMAK liep, naar het model van het Rijksmuseum in Amsterdam waar je ook vrolijk doorheen fietst. Met dat verschil: het Rijks is tien keer groter en kan dat aan (al werd ook daarover zeer hard gebikkeld!). Eén fundamentele vraag werd echter niet gesteld: zou je – vandaag – nog een ICC neerploffen in een park als dit? Merkwaardig is wel dat hier al voor het eerst de idee opduikt om onder de Floraliënhal een kelder uit te graven voor parkings en bergingen voor het Museum. Helemaal nieuw is Swinnens idee dus niet.

En dan gisteren: Toerisme Vlaanderen ontwikkelt een groot enthousiasme voor MICE. Nee, dat zijn geen muizen, het is een acroniem voor ‘Meeting – Incentive – Conference – Exhibition’. Duitsers noemen zoiets gewoon ‘Messe’: massabijeenkomsten met gemende commercieel-toeristische doeleinden. Commerciële ondernemingen dus, die enkel gedijen bij (zeer) grote volumes. Die haal je enkel met een USP (een ‘unique selling proposition’). EVR architecten onderzocht in 2016 al hoe een ‘update’ van het huidige ICC te rijmen viel met een ontvetting van het gebouwencomplex, maar dat loste de USP-vraag niet op. (Ook hier dook trouwens alweer die ‘kelder’ onder de Floraliënhal op). Van Cauteren herinnert zich de uitspraak van een dame van Toerisme Vlaanderen (TV): ‘Antwerpen heeft zijn congrescentrum met ‘a view on the zoo’, Gent heeft er een met ‘a view on the park’. Waarop hij de bedenking maakte dat dit ICC misschien toch eerder een paravent is voor twee belangrijke musea? Zijn advies viel niet echt in dovemansoren, maar het woord musea kennen ze bij TV blijkbaar niet. ‘Heritage’ werd het. Die was er ook, in de vorm van de Floraliënhall. Dus werd het ‘Ghent ICC: MICE + Heritage’. Daar kwam een cadeaubon van 9,5 miljoen euro bovenop, als de stad zelf eenzelfde bedrag in de pot wilde steken. Voor de renovatie van het ICC wel te verstaan. Wie de restauratie van de Floraliënhal ging betalen bleef in het midden, al gaat het dan over nog eens 20 miljoen. Over de noden van het SMAK deed men er al helemaal het zwijgen toe.

Je moet geen financiële wizzard zijn om te beseffen dat een stadsbestuur, zelfs van een grote stad als Gent, wel twee keer nadenkt voor ze zo’n cadeaubon aanvaardt, gezien de consequenties, want van Erfgoed valt weinig soelaas te verwachten inzake de restauratie van de Floraliënhal. 30 miljoen, dat is 115 euro per Gentenaar. Veel geld als een derde ervan dient om een niet succesvol en in de buurt weinig geliefd commercieel bedrijf te pimpen. Maar toen de vervaldag naderde lanceerde de stad toch maar een Open Oproep via de Vlaams Bouwmeester. De vraag behelsde een concreet voorstel voor het ICC en een masterplan voor de Floraliënhal, zonder garantie nochtans dat daar voor de hal een concrete opdracht uit zou voortkomen.

Merkwaardig genoeg werd in de projectdefinitie haast niets gezegd over het SMAK. Toen vijf teams in de zomer van 2018 (!) aan de slag gingen kregen ze wel een toelichting door Van Cauteren over de positie van het SMAK, maar daar bleef het zowat bij. Het gevraagde masterplan kan je dus als een uitwerking beschouwen van een deel van het masterplan uit 2012, vooral omdat de projectdefinitie ook nu de nadruk legde op het afslanken van het bouwvolume. Anderzijds verzwakte de focus op het ICC en de relatieve afwezigheid van het SMAK wel de rol die de Floraliënhal had in dat masterplan. Daar was het onbetwistbaar een stedelijke ‘witruimte’. Hier dreigde het gevaar dat het vooral als een uitbreiding van het ICC zou gezien worden. Toch zou dat niet zo uitpakken, noch bij de winnaars, noch bij het team CRIT / Lacaton-Vassal.

Publieke ruimte definiëren

Het staat buiten kijf dat twee teams er bij deze OO met kop en schouders bovenuit staken: het team rond 51N4E en NU Architectuuratelier enerzijds en het team rond CRIT Architects / Peter Swinnen en Lacaton Vassal. Er waren trouwens wel wat gelijkenissen tussen beider benadering. Niet zo verwonderlijk, vermits Swinnen ooit 51N4E mee oprichtte en recent nog meedong naar de opdracht voor de bouw van het Kaaitheater in Brussel in samenwerking met NU architectuuratelier. Een van die gelijkenissen was de zorg om de Floraliënhal maximaal als een open, publieke ruimte in het park en in de stad te vrijwaren, zoals het masterplan uit 2012 het al wilde.

Halewijn Lievens van NU architectuuratelier wijst er wel op dat 51N4E / NU daar nog sterker op focuste door de ‘kop’ van de hal, het voormalige Azalearestaurant te herdopen tot ‘FLOR’. FLOR is gedacht als een voorportaal van de Floraliënhal dat door diverse voorzieningen vooral de buurtbewoners ten goede komt. Een publieke vestibule van de hal als het ware. 51N4E / NU slaagde er ook het best in om de aansluiting tussen ICC en Floraliënhal enerzijds en tussen ICC en park anderzijds vorm te geven als een ‘doorwaadbare’ en werkelijk publieke plek.

Het verschil tussen beide teams was dat CRIT als enige een intensief gesprek aanging met Van Cauteren. In de bundel van CRIT, te consulteren op de website van de Vlaams Bouwmeester, zie je dan ook reeds het embryo van ‘Le Musée et son double’. CRIT groef over de lengte van de Floraliënhal een kelder uit, als een depot ten bate van alle gebruikers van de site. CRIT liet ook een ballonnetje op om de westelijke kop van de hal, de ‘Azaleazaal’, te claimen voor het SMAK. Terwijl het plan van EVR uit 2016 die ruimtes nog inpalmde voor het ICC, kon CRIT ze immers, net als 51N4E / NU, vrijwaren door een compacte verbouwing van het Bontincks gebouw. Als eerder aangestipt was dat idee van een ondergronds depot echter niet nieuw: het masterplan van 2012 wierp het al op, zij het vooral als parking. Hier werd het dus een depot.

CRIT hamerde op de kwestie, en won zo het vertrouwen van Van Cauteren, die plots een model zag om zijn vele noden te lenigen. In complete stilte werkte hij met Swinnen een jaar lang aan de ontwikkeling van dit model. Zo belanden we bijna bij vandaag. En bij de bizarre situatie dat van Cauteren plots met twee architecten aan het spreken is over zijn Museum. Maar voor hem staan die niet op gelijke voet. ‘’Le Musée et son double’ is het resultaat van een lange gedachtewisseling en een oprechte interesse van Peter. Als ik met 51N4E / NU praat, wat ik uiteraard wil doen, is het museum toch eerder het object van een studie dan een gesprekspartner’.

Halewijn Lievens nuanceert dat. ‘We zijn sterk begaan met het publiek karakter van het Floraliënpaleis. Dat vraagt een genuanceerde afweging van de belangen van alle betrokken partijen in het kader van een waardebepaling. Je moet ook nagaan hoe je die Floraliënhal kan beheren. Ons masterplan stelt zich daarom tot doel om schijnbare tegenstrijdigheden te integreren. We willen niet redeneren vanuit bedreigingen maar vanuit mogelijkheden. Daardoor wegen we nog minstens drie scenario’s van de oorspronkelijke acht tegen elkaar af die het SMAK zijn noodzakelijke uitbreiding kunnen bezorgen. Een mogelijkheid is de piste van Peter, maar je zou bijvoorbeeld ook kunnen overwegen om het ‘Museumplein’, de ruimte tussen SMAK en MSK, nu een ongedefinieerde, rommelige parking, beter af te lijnen door een extra gebouw voor het SMAK’.

Blijft dus wel het feit dat de kwestie van het SMAK plots in het centrum van de aandacht staat door ‘Le musée et son double’. Of nog: het is, als model, meteen een perfecte projectdefinitie van de noden van het SMAK en van het MSK. Dat was ook wat Van Cauteren beoogde. ‘Ik moet de belangen van mijn collectie verdedigen, en daartoe treed ik naar buiten’. Dat zo impliciet ook de afbraak van het ICC bepleit wordt, is voor hem een nevenkwestie. Ook Steven Heyse begreep het zo niet.

Desgevraagd geeft Swinnen toe dat hij dat wel de betere optie vindt, ook al werkte hij dus eerder aan plannen voor de renovatie ervan. ‘Dat heet ‘voortschrijdend inzicht’, zegt hij met een lichte ironie in de stem. ‘Het stadsbestuur is in een kramp geschoten toen ze dreigden de subsidie van toerisme Vlaanderen mis te lopen. Tegelijk ziet iedereen toch dat zo’n in wezen private organisatie onevenredig veel beslag legt op de publieke ruimte van het park. De buurt is in elk geval niet mee met dit project. Niemand lust het’.

Weg met wedstrijden?

De verdienste van ‘Le musée et son double’ werd bij de presentatie op 30 november echter niet weinig vertroebeld doordat Peter Swinnen, zelfs ex-Vlaams Bouwmeester, ongevraagd een kleine tirade tegen architectuurwedstrijden afstak. ‘In een wedstrijd heb je geen dialoog, geen werkelijk traject met de opdrachtgever. Je stelt iets voor en er worden wat vragen naar voren geschoven, maar dat is het. Je kan niet falen, terwijl het bij de bevraging van een opdracht net belangrijk is dat je dat kan doen zonder daarvoor direct afgestraft te worden. Enkel zo kom je ertoe de juiste vraag te stellen’.

In een telefoongesprek stelt hij zelfs: ‘De essentie van dit project is voor mij de vraag of je vandaag nog op een correcte manier een traject kan lopen zonder dat het voortdurend doorkruist wordt door allerlei andere agenda’s en belangen. Als we de ambtelijke weg gevolgd hadden was er van een maquette, een cahier of een publiek debat nooit sprake geweest’.

Toch wel verbijsterend om zoiets te horen uit de mond van iemand die jarenlang leidinggaf aan de ‘Open Oproep’. Dat is immers niet zomaar een wedstrijdformule, want, zoals de eerste Vlaams Bouwmeester, bOb Van Reeth niet naliet te herhalen, gaat het er in de OO om de juiste ontwerper te vinden, niet het juiste ontwerp. Dat betekent dat falen en ‘van gedacht veranderen’ wel in de formule ingebakken zit en er zelfs het succes van bepaalde, in die mate dat de formule in het buitenland gekopieerd werd.

In een gesprek achteraf nuanceert Swinnen zijn standpunt enigszins, maar hij valt het niet af: ‘De OO is al lang niet meer wat ze geweest is. Je zal het nooit meer halen als je enkel met een idee voor de dag komt, omdat administraties te hoge eisen stellen. Je moet bijna met een uitgewerkt bouwplan komen om enige kans te maken’. Dat gevaar ligt zeker voortdurend op de loer, maar dat beseft het Team Vlaams Bouwmeester maar al te goed. Net daarom stelde de vorige bouwmeester, Leo Van Broeck, paal en perk aan al te exorbitante eisen die administraties oplegden aan deelnemers van een OO.

En dan is er nog die ene brandende vraag: hengelt Swinnen hier nu naar de opdracht voor de bouw van een nieuw SMAK buiten een wedstrijd om? Hij beweert van niet. ‘Als je zo’n voorstudie maakt, heb je een oneerlijk groot voordeel eens er een wedstrijd uitgeschreven wordt om een ontwerper aan te duiden. Dat kan je niet maken, en dat ga ik ook niet doen’. Dat is dan alvast duidelijk.

[1] De naam is ontleend aan ‘Le décor et son double’, een werk van Daniel Buren uit de collectie van SMAK.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief