Gepubliceerd op 21.10.2020 | Tekst: Vincent Becue, Fabienne Courtejoie, Jean-Louis Genard en Jean Stillemans

In de geschiedenis en de evolutie van het architectuuronderwijs in Franstalig België betekende 2010 een kentering, want toen werden de architectuurhogescholen in de universiteiten ingekanteld. De zeven ‘oude’ Instituts supérieurs d’architecture (ISA) fuseerden met vier universiteiten: de UCLouvain, ULB, ULiège en UMONS. In al deze universiteiten werd, soms met een andere insteek, een nieuwe faculteit opgericht om die inkanteling te verwezenlijken.

Tien jaar later, na veel enthousiasme maar ook een aantal teleurstellingen, kunnen we de balans opmaken van de evolutie van het onderwijs na de fusies. Om de analyse grondig te maken, zouden we het over de maatschappelijke functie van de architectuurinstellingen moeten hebben, evenals de specifieke eigenheden van onderwijs en ontwerpend onderzoek, de toenemende contacten op internationaal vlak, het diploma en de beroepspraktijken in ons land. Maar het zou ons uiteraard veel te ver leiden om al die punten in deze korte tekst te behandelen, vooral omdat de situatie verschilt naargelang de gastuniversiteit.

In het begin maakte niemand zich illusies, want de politieke beslissing was ambivalent. Enerzijds zorgde de inkanteling in de universiteit voor een ‘rationalisering’ van het onderwijsaanbod, waarbij de kosten werden geplafonneerd door de financiering via een open envelop door een gesloten envelop te vervangen. Anderzijds kregen de hogescholen de universitaire dimensie waar ze al heel lang naar verlangden, werd onderzoek eindelijk structureel ondersteund en kon het architectuuronderwijs zich ook internationaal profileren.

Wat is het resultaat van die ambivalente start?

Onvoldoende middelen

We beginnen met een eerste vaststelling. Iedere externe waarnemer moet toegeven dat er wel degelijk iets objectief en radicaal is veranderd op het vlak van het ontwikkelen van gedegen onderzoek en het zich richten naar het buitenland. Die verandering mag dan wel indrukwekkend lijken, maar voldoet ze ook aan de verwachtingen? Het resultaat is niet helemaal bevredigend en dat komt voornamelijk om drie redenen.

De eerste reden is het gebrek aan voldoende financiële middelen. Het toegankelijk maken van onderzoek, het opzetten van doctoraten en het streven om het onderwijs erop te baseren, zal waarschijnlijk een dode letter blijven als er geen middelen worden gegeven aan de instellingen die er verantwoordelijk voor zijn. De wetgever heeft echter gewoon de budgetten, die voorheen aan de ISA waren toegewezen, naar de universiteiten overgeheveld om alleen het onderwijs te organiseren, waardoor met de ene hand juridische kanalen werden geopend en met de andere de deur naar middelen werd dichtgegooid. De universiteiten en de pas opgerichte faculteiten moesten deze nieuwe uitdagingen bijgevolg binnen veel te krappe parameters aangaan. De belofte om het onderzoek verder te ontwikkelen botste dan ook meteen op het tekort aan beschikbare middelen en dat had een paar vervelende gevolgen:

de taak om het onderzoek te leiden kwam bij een klein aantal docenten te liggen, en dat zorgde voor ‘structurele’ spanningen tussen de docenten die de opdracht kregen het onderzoek te leiden en de ‘andere’ docenten die zich soms niet naar waarde voelden geschat en zich vaak aan hun oude privileges vastklampten. De veranderingen op het vlak van educatie en de – te trage – samenwerking tussen onderwijs en onderzoek moesten dus plaatsvinden in een context die er structureel ongunstig voor is.

Cultuurschok

Maar we blijven even langer stilstaan bij de tweede reden. Deze heeft niets te maken met financiële middelen, maar wel met cultuur. Door opgenomen te worden in de universiteit en aan de deur te kloppen bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) of bij instellingen die onderzoek financieren, reikte het architectuuronderwijs aan het onderzoeksveld niet alleen een nieuwe discipline aan, maar vooral ook een andere onderwijs- en onderzoekscultuur: de cultuur van ontwerpmatig onderzoek, praktijkonderwijs  en ruimtelijke compositie, stuk voor stuk bronnen van creativiteit die zich niet laten herleiden tot de reeds gangbare en erkende onderzoeksvormen aan de universiteit.

Naast de klassieke vormen – een proefschrift en een doctoraat – voegde het architectuuronderwijs ook het projectmatig en ontwerpend onderzoek toe: research by design en design thinking, zoals dat in Angelsaksische landen heet, waar kunstopleidingen al heel lang aan de universiteit worden aangeboden. Naast de klassieke vormen van laboratoriumexperimenten, bewijsvoering en doorslaggevende argumentatie, ijverde het architectuuronderwijs voor minder gebruikelijke vormen van kennisverwerving. Hoe en op welke manier zouden een ruimtelijke installatie, een 3D-weergave of een maquette voor een wetenschappelijk bewijs kunnen zorgen? Als de hogescholen zich moesten aanpassen aan de universitaire instellingen waarin ze voortaan waren ondergebracht, moesten die instellingen ook echt helemaal bereid zijn om hun de nodige vrijheid te bieden.

Niet dat die instellingen niet blij waren met de komst van de architectuurhogescholen, maar ze moeten ook de consequenties accepteren van deze inkanteling. Zo zou het FWO ook architecten moeten opnemen in de beoordelingscommissies en de voorgestelde afstudeer- en doctoraatprojecten door professionelen uit het veld laten beoordelen. De universiteit moet niet alleen het ‘creatieve’ of ‘artistieke’ aspect van de voor hen ‘exotische’ nieuwkomers verwelkomen, maar hen ook echt op gelijke voet stellen met studenten uit andere wetenschappelijke disciplines. Dit vereiste vaak een mentaliteitsverandering waarop de universitaire instellingen niet altijd waren voorbereid. De deuren gingen open, maar veel te langzaam.

[…]

A+285 Museums

Je kan het volledige artikel lezen in A+285 Museums. Bestel hier een exemplaar of neem een jaarabonnement op A+ en mis geen enkel nummer!

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief