Gepubliceerd op 19.11.2020 | Tekst: Sven Sterken

Momenteel worden in Brussel het Manhattan Centre, de WTC torens, de voormalige Philipstoren en het Muntcentrum grondig gerenoveerd. Al deze iconische gebouwen werden ontworpen door Groupe Structures, indertijd alomtegenwoordig in Brussel door de directe relatie van dit bureau met toenmalig schepen van Openbare Werken Paul Vanden Boeynants en vastgoedontwikkelaar Charly De Pauw. Het was het type bureau dat erg gewild is bij bouwpromotoren: snel, trefzeker en efficiënt – met dien verstande dat het na de oliecrisis van 1973 maar met moeite kon overleven, en begin van de jaren ’80 ei zo na failliet ging. Voor sommigen staat Groupe Structures synoniem met de verfoeide ‘Bruxellisation’; voor anderen is hun werk een voorbeeld van ‘laat modernisme’. Niettemin is een kentering waar te nemen: bij renovatie wordt deze architectuur niet langer ‘geneutraliseerd’ zoals in de jaren ’90, toen op haast fanatieke wijze alle sporen van het verleden werden uitgewist, maar in zekere mate gevaloriseerd. Renovatie lijkt ook steeds meer te leiden tot innovatie: het zoeken naar duurzaamheid en stedelijke relevantie staan steeds hoger op de agenda. Maar wat is daar echt van aan? Gaat het effectief om een nieuwe omgang met de erfenis van de jaren ’60, of is het pragmatisme en greenwashing? Doordat enkel het nieuwe Manhattan tot dusver (deels) voltooid is, kunnen we nog geen conclusies trekken. Maar, voortbouwend op het artikel ‘Should I stay or should I go?’ van Kristiaan Borret in A+ 270, kunnen we de intenties en ambities van deze projecten wel kort en kritisch bevragen vanuit vier invalshoeken: erfgoedwaarde, duurzaamheid, stedelijkheid en economie. We baseren ons hierbij in hoofdzaak op publiek beschikbare documentatie.

Manhattan Center

In 1971 zette het Manhattan Center de toon voor de verhoopte ontwikkeling van de Noordwijk (en de stad in het algemeen): met zijn mix aan kantoren, hotels en winkels op een strategische locatie, en ingeplugd op het openbaar vervoersnet, werd het geroemd als een voorbeeld van hoe private ontwikkelaars de beleidsdoelstellingen van gemeentelijke overheden (in dit geval Sint-Joost) konden mee helpen realiseren. De plint van 13 meter hoog, die een nieuw maaiveld voor de stad vormde, vinden we trouwens in alle vier hier besproken gebouwen terug, net als de meervoudige eigenaarsstructuur. Dat verklaart waarom van het Manhattan vandaag enkel de vleugel aan de kant van de Bolwerklaan is verbouwd door ICON real Estate (naar ontwerp van Jaspers-Eyers); het voormalige Sheratonhotel ondergaat later een renovatie. Met twee extra verdiepingen is de gerenoveerde vleugel nu goed voor 44.500 m² kantoren. Op de 27ste verdieping werd een panoramisch terras voorzien; tussen de 14e en de 17e verdieping een Winter Garden. De plint blijft behouden voor winkels, een vergadercentrum met auditorium en diverse horecavoorzieningen. Ook de Vlerick Management School blijft in de sokkel en breidt fors uit. Volgens de promotoren gaat het om een ‘vooruitdenkend gebouw dat ontworpen is met mensen in het achterhoofd’. Het comfort van de gebruikers staat inderdaad centraal; het project speelt daarmee in op de toegenomen aandacht voor het prestige en de kwaliteit van de werkomgeving: architectuur in dienst dus van de strijd om de ‘high potentials’. Het betonnen skelet werd daarbij gerecupereerd: een besparing van 3.100 vrachtwagenbewegingen en 188 ton CO2. De nieuwe gevel met geïsoleerde dubbele beglazing vormt het visitekaartje van dit gebouw, want door zijn prominente locatie biedt het een fenomenaal uitzicht over de vijfhoek, en is het ook van ver herkenbaar. De gevel zorgt voor een reductie van 30% in het energieverbruik van het gebouw (dat overigens BREEAM Excellent gecertificeerd is), maar de formele expressie ervan is helaas niet van hetzelfde ambitieniveau. De rechtstreekse toegang tot de metro, en de parkeergarage onder het gebouw vormen natuurlijk een troef, maar samen met de vele eigen voorzieningen voor de gebruikers kan het ertoe leiden dat het gebouw een gesloten ecosysteem wordt waar de buurt weinig aan heeft. Dat zou een gemiste kans zijn, want het prestigieuze appeal van de grootstad, waar de marketing rond dit project gretig op inspeelt, wordt gemaakt of gekraakt door gebouwen zoals dit.

Philipstoren

De eigenaars van de voormalige Philipstoren (de combinatie Whitewood – Immobel) willen daarom geen eenzijdig kantoorgebouw realiseren maar een ‘gemengd programma met publieke meerwaarde’, door bepaalde delen van het gebouw toegankelijk te maken voor niet-huurders. Ook hier wordt bij de verbouwing ongeveer 10% extra oppervlakte gecreëerd (41.000m² in totaal) en ontstaat een grote economische en ecologische besparing door behoud van het betonskelet. De vooropgestelde herinrichting en -aankleding (naar ontwerp van Conix RDBM) bouwt niet alleen verder op de bestaande kwaliteiten van het gebouw maar corrigeert ook de zwaktes ervan. De donkere vliesgevel van de markante tweelingtoren wordt bijvoorbeeld vervangen door een lichtere, meer transparante offset-gevel van geprefabriceerde elementen, die rondom de kantoorvloer een zone creëert met extra plafondhoogte. Naast extra oppervlakte geeft dit ook meer licht en ruimtelijkheid aan de rest van het plateau. De gevelmodule wordt over het gehele gebouw herhaald, wat toelaat om deze optimaal te detailleren, hoge productie-eisen te stellen en prijs te drukken. De sokkel behoudt zijn karakteristieke blauwe hardsteen maar wordt binnen opengewerkt met twee atria die licht en doorzicht bieden; het dak van de sokkel aan de Anspachlaan zou een vlot bereikbaar, publiek toegankelijk terras moeten worden. Wat duurzaamheid betreft, ligt de focus hier op het materiaalgebruik; het doel is om minimum 2% (in waarde of gewicht) te halen uit hergebruik van (bij voorkeur lokale) materialen. Hiervoor werd een beroep gedaan op de expertise van Rotor. Andere gebouwen in het Brusselse, zoals het Fortis- of het De Lignegebouw dienen daarbij als ‘groeve’. Het voornemen geen retail in het gebouw op te nemen om de handelszaken in de Nieuwstraat te ontzien, strookt met de intentie van de promotoren om een ‘stedelijk platform’ te creëren ‘van waaruit je de stad niet alleen kan beleven, maar die het stadsleven ook mogelijk maakt’. Door de bestaande in- en uitritten van de ondergrondse parking inpandig te brengen en de buslus rond het gebouw te schrappen, kan aan de Lakensestraat een volwaardige toegang en zelfs een pleintje ontstaan. Aan de Anspachlaan worden de onderste twee verdiepingen van de sokkel dan weer samengevoegd om plaats te maken voor winkels en publieke voorzieningen. De intentie om er een werkelijk ‘publiek interieur’ van te maken wordt fysiek zichtbaar in de vloerafwerking, waar binnen en buiten dezelfde blauwe (gerecupereerde) hardsteen wordt gebruikt. Omwille van zijn innovatieve aanpak en stedelijke intenties verkreeg het project een premie van Be.Exemplary in 2017.

Muntcentrum

Ook de overbuur, het Muntcentrum is verworven door dezelfde combinatie (Whitewood & Immobel) en wordt binnenkort grondig aangepakt naar ontwerp van Snøhetta en Binst Architects, nadat de sokkel eerder al werd gerenoveerd door DDS+. De ambitie is om de 62.000 m² erboven te transformeren tot een gemengd woon, kantoor- en hotelcomplex. Bijzonder is dat de promotoren, voorafgaand aan de internationale architectuurwedstrijd, een bouwhistorische studie lieten uitvoeren waarin de auteurs een pleidooi hielden om de niet-gerealiseerde ontwerpintenties van het oorspronkelijke project als vertrekpunt te nemen. Het gebouw was initieel namelijk opgevat als een gemengd complex met kantoren, appartementen, winkels en zelfs een zwembad. Uit archiefonderzoek bleek verder dat de architecten de optie onderzochten om op de sokkel aan de kant van het Muntplein een publiek dakterras en restaurant te voorzien, en dat de huidige gordijngevel, net zoals dit gebouw in het algemeen, eigenlijk een verwaterde versie was van het oorspronkelijke concept. Daardoor werd het gebouw, ondanks zijn multifunctionele karakter en complex-subtiele gelaagdheid, toch als een anti-stedelijke kolos ervaren. Dat had vooral te maken met zijn gesloten karakter: de donkere toren liet niet zien wat erin gebeurde, en het winkelcentrum in de sokkel was naar binnen georiënteerd – een anomalie die bij de recente verbouwing intelligent werd omgekeerd, helaas met weinig architecturale ambitie. In de volgende fase ligt de lat hoger. Zo wordt de sokkel op bepaalde plaatsen aangepast om beter aan te takken bij de openbare ruimte en het visuele gewicht ervan te verminderen. Het dak (met onder andere een restaurant met terras aan de kant van het Muntplein) wordt bereikbaar gemaakt via een traag parcours langs de hele omtrek van het gebouw. De voorziene shortcut via drie roltrappen komt er waarschijnlijk niet wegens de complexe eigendomsstructuur van het gebouw – de sokkel is namelijk deels in andere handen. De nieuwe gevel wordt net als in de Philipstoren een meter in offset geplaatst, wat plaatswinst mogelijk maakt zonder het kenmerkende silhouet te verstoren. Visuele monotonie wordt vermeden doordat het ritme van de gevelmodules – één rij per twee verdiepingen – verspringt; daarmee wordt ook het massieve aspect van de sokkel visueel herschaald. Wat materiaalkeuze betreft, wordt gedacht aan een raamwerk in hout met koperen bekleding en ventilatieluiken tussen de stijlen, dat volledig demonteerbaar is. De vanzelfsprekende integratie van deze elementen in de architecturale expressie illustreert dat dergelijke, eerder technische duurzaamheidsaspecten, vandaag als vanzelfsprekend moeten beschouwd worden, en niet langer een technisch ‘extraatje’ zijn dat in de verf moet worden gezet. Het is bij deze renovaties daarom van groter belang te focussen op (onvervangbare) duurzaamheidsaspecten die er werkelijk toe doen op de lange termijn, namelijk de integratie in de stedelijke context via het programma, de architecturale kwaliteit van het geheel, en de zorg voor toegankelijkheid. Het is maar te hopen dat de ambities van het wedstrijdontwerp op dit vlak overeind zullen blijven bij de verdere uitwerking ervan. Het feit dat de sokkel grotendeels buiten het project valt (wegens een andere eigenaar), maakt dit er niet eenvoudiger op.

WTC-torens

Het Muntcentrum wordt in maat, complexiteit en ambitie enkel nog overklast door de transformatie van de WTC-torens door Befimmo. Met 110.000m² gaat het hier om een van de grootste vastgoedoperaties van de laatste jaren in Brussel. Voor de WTC torens betekent dit project een tweede kans als vliegwiel van de Noordwijk. Naast de vooropgestelde combinatie van werken, wonen en ontspanning, en de architecturale bravoure van het voorstel, is het herdenken van de massieve sokkel daarbij cruciaal. De architecten (Jaspers-Eyers, 51N4E, en het Franse l’AUC) plannen daarom inkompartijen op de begane grond, winkels, een serre aan de kant van het Noordstation, en sport en coworking spaces aan de kant van het Maximilaanpark. Het al dan niet publieke karakter van deze toegangen en faciliteiten zal bepalen of het nieuwe complex zijn belofte kan waarmaken en zijn bloedeloze omgeving kan reactiveren. Van de torens zelf blijven enkel de sokkelstructuur en de liftkernen overeind. Daartussen wordt een nieuw volume geschoven met 14 dubbelhoge verdiepingen, geflankeerd door twee kleinere torens waar de oorspronkelijke plafondhoogte behouden blijft. Doordat de vloerplaten om de andere verdieping doorlopen in een dubbelhoge ‘expansieruimte’ in het nieuwe volume, wordt het mengen van functies hier letterlijk genomen: de tussenliggende vloeren huisvesten namelijk appartementen en een hotel. Dit laat toe om in te spelen op het ‘nieuwe werken’, waar flexibiliteit het centrale trefwoord is (zowel in tijd als ruimte) en kantoren steeds meer evolueren naar samen-werkplekken. Met zijn ‘neutrale’ concept speelt dit gebouw hier perfect op in, maar het risico bestaat dat op termijn de kantoorfunctie toch de overhand haalt (zoals in het oude Manhattangebouw). Momenteel is het de intentie om 70.000 m² kantoorruimte te realiseren, geflankeerd door 240 hotelkamers (in de toren kant Albert II-Laan) en 127 huurappartementen (in de toren aan de kant van het Maximilaanpark). Met 13% van de oppervlakte blijft het residentiële aandeel dus laag, en daardoor kwetsbaar.

Naast zaken als zonnewering met fotovoltaïsche cellen, KWO systemen, een speciale app om het individuele energieverbruik te rationaliseren en recuperatie van regenwater, zorgt circulariteit ook hier voor een grote winst op vlak van duurzaamheid. Door het hergebruik van de kernen en de fundering wordt veel van de bouwmassa gerecupereerd, terwijl een minutieuze inventarisering van het afbraakmateriaal toelaat om, bijvoorbeeld, de akoestische isolatie deels te hergebruiken in een Brusselse school. Alle nieuwe materialen (een derde van het totaal) zouden C2C gecertificeerd moeten zijn; het beton zal bijvoorbeeld gemaakt worden op basis van koolstofarm cement en gerecycleerde granulaten. Een toepassing hiervan op deze schaal heeft niet alleen reëel effect, maar ook een belangrijke voorbeeldfunctie. Dat geldt trouwens ook voor de erg diverse samenstelling van het ontwerpteam, op initiatief van de Bouwmeester. Ook dit betekent een winst op de langere termijn: het ene bureau kan zijn overwicht op de markt behouden, terwijl de kleinere, meer ‘avontuurlijke’ partner zijn expertise en netwerk verder kan uitbouwen. Omwille van deze hoopvolle combinatie van innovatie, duurzaamheid en visie werd het project in 2019 alvast onderscheiden door Be.Exemplary.

Dubbele paradigmawissel

De hier besproken gebouwen tonen dat er een dubbele paradigmawissel op til is in Brussel. Aan de ene kant is er vernieuwde aandacht en groeiende waardering voor het kantoorpatrimonium uit de jaren ’60, door een besef dat het anti-stedelijke karakter ervan (door de focus op auto-bereikbaarheid en de gebrekkige relatie met het openbaar domein) al bij al relatief makkelijk kan worden aangepakt, zonder het concept of de architecturale expressie van deze gebouwen fundamenteel aan te tasten. Daarnaast zien we een groeiende bekommernis van grote vastgoedgroepen voor architecturale kwaliteit, stedelijke context, circulariteit, duurzaamheid, ecologie, enzovoort. De goede bedoelingen van een aantal witte raven niet te na gesproken, zijn dit aspecten die tot voor kort niet bepaald met vastgoedspeculatie werden geassocieerd. Betekent dit dat de nieuwe generatie vastgoedontwikkelaars de redders van de stad zijn geworden? Dat is misschien te veel eer; er speelt namelijk ook een flinke dosis pragmatiek mee: het hergebruik van een gebouw laat toe om sneller op de markt te zijn, en zorg voor de publieke ruimte creëert ook financiële meerwaarde én een draagvlak bij publiek en overheden. Maar de intenties zijn er, en alleen al daarom verdienen de hier beschreven initiatieven alle kritische aandacht. Door de ruimtelijke en economische impact van deze projecten, en het grote aantal betrokken partijen, staat er namelijk veel op het spel. Het feit dat deze gebouwen intussen al grotendeels verhuurd zijn, toont aan dat ook de vastgoedmarkt en de grote bedrijven mee zijn in dit verhaal. Misschien ontstaat zo eindelijk een context die toelaat om de – vermeende – onverzoenbaarheid van deze grote, multifunctionele complexen met het historische stadsweefsel te overstijgen en te komen tot een werkelijk, metropolitaan begrip van de stad in de 21e eeuw.

Sven Sterken is ingenieur-architect en hoogleraar aan de Faculteit Architectuur van de KU Leuven. Hij voerde samen met Jan De Moffarts architecten de historische studie uit voor het Muntcentrum, en bereidt momenteel een boek voor over Groupe Structures

Technische fiches gebouwen

Manhattan Center

  • ontwikkelaar: ICON Real Estate Group
  • architecten: Jaspers-Eyers
  • programma: kantoren, hotel, restaurant, handelsruimte, parking
  • termijn: opgeleverd 2019
  • : 44.500 m2

MULTI

  • ontwikkelaar: Whitewood, Immobel, DW Partners
  • architecten: Conix RDBM (ism Rotor)
  • programma: publieke ontspanningsruimte (atria, terras), coworking space, kantoren met publieke nevenfuncties, handelsruimte, parking
  • termijn: oplevering voorzien 2021
  • : 45.000 m2

Muntcentrum/Cityzen

  • ontwikkelaar: Whitewood, Immobel, DW Partners
  • architecten: Snøhetta, Binst Architects, DDS+ & A.D.E.
  • programma: publieke ontspanningsruimte (terras), wonen, hotel, restaurant, handelsruimte, kantoren
  • termijn: oplevering voorzien 2024
  • : 62.000 m2

ZIN

  • ontwikkelaar: Befimmo
  • architecten: 51N4E, l’AUC & Jaspers-Eyers
  • programma: publieke ontspanningsruimte (binnentuin en serre), wonen, sportinfrastructuur, hotel, restaurant, coworking, kantoren, handelsruimte, parking
  • termijn: oplevering voorzien 2023
  • : 110.000 m2
Lees meerVerkleinen

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief