Gepubliceerd op 25.06.2020 | Tekst: Lisa De Visscher - Hoofdredacteur

“Je maakt me niet blij met een museum in een Zwitsers berglandschap,” aldus Kelly Hendriks van het architectuurbureau B-ild. “Het boeiends zijn de opdrachten die op het eerste gezicht een nachtmerrie lijken.” Samen met een zeer diverse groep leeftijdsgenoten vertegenwoordigt Hendriks een nieuwe generatie die lef koppelt aan realiteitszin en maatschappelijke verantwoording aan entrepreneurship. De eerste realisaties maken alvast indruk. Waar komen deze jonge architecten vandaan en vooral, hoe dragen ze bij tot de huidige Belgische architectuur?

11 september 2001. Twee vliegtuigen boren zich in Het WTC in New York en maken een einde aan de onbezorgde jaren 1990. Het twaalfjarig decennium na de val van de Berlijnse Muur in 1989 waarin het kapitalisme de oplossing leek te zijn, het neoliberalisme aan kracht won, het internet tot bij de gewone mens kwam en de globalisering geen grenzen kende. De gouden jaren van Superdutch, les Grand Projets van Mitterrand, sterarchitecten en citymarketing. Het zijn de jaren waarin de nieuwe jonge generatie architecten opgroeit en waar 9/11 de eerste politieke gebeurtenis van internationaal belang is die ze zich nadien bewust zal herinneren.

De financiële crisis in 2008 is de tweede, het jaar waarin een aantal schijnbaar absolute zekerheden van het kapitalisme, zoals de eindeloze economische groei, voor het eerst fundamenteel in vraag werden gesteld. En laat nu de zeven jaren tussen 2001 en 2008 waarin de wereld even onderuit gaat, net de periode zijn waarin deze generatie beslist architectuur te gaan studeren en waarin ze nadien de eerste stappen in het professionele leven zet.

Het is de generatie van digital natives voor wie computers en internet van jongs af aan een evidentie zijn, niet alleen als tijdverdrijf maar ook als middel bij studie en onderzoek. Ook offline liggen de grenzen open. Daar waar in de jaren 1990 de avontuurlijke student wel al eens een jaar met Erasmus ging studeren in Barcelona of Glasgow, is tien jaar later studeren en werken in het buitenland vanzelfsprekend. Deze generatie is opgegroeid in een geglobaliseerde wereld en haalt er haar voordeel uit. Ze combineert een studie in Japan met een tussentijdse stage in New York of een workshop in Burundi waarbij een extra master in een verwante discipline geen uitzondering is. Ze voelt zich deel van een internationale gemeenschap binnen een professioneel en persoonlijk netwerk dat zich ver buiten de grenzen van Europa uitstrekt, tot in Azië, Afrika, en Zuid-Amerika.

Ironisch genoeg is dit de eerste generatie jonge Belgische architecten die niet per sé naar het buitenland hoeft om in een architectuurbureau met wereldfaam ervaring op te doen. Het eerste decennium van deze eeuw biedt een vruchtbare bodem voor de Belgische architectuur. Geruggesteund door de politieke wil om architectuur op de kaart te zetten en onder invloed van nieuwe organisaties zoals het Vlaams Architectuurinstituut, de Vlaams Bouwmeester en wedstrijdprocedures zoals Open Oproep, de Cellule architecture van de Fédération Wallonie Bruxelles en het pas opgerichte CIVA floreert de architectuurcultuur. Ze brengt een gouden generatie voort met o.m. advvt, 51N4E, Office KGDVS, Huiswerk architecten (later Bovenbouw) die de kans krijgen zich te ontplooien en België op de wereldkaart van de architectuur te zetten. Zij bieden aan de huidige jonge garde niet alleen aantrekkelijke stageplaatsen maar zijn ook actief in het onderwijs waardoor ze de ontluikende architectuurcultuur verder kunnen voeden.

Towards a shared authorship

Na een paar jaren van omzwervingen, extra opleidingen, stages en jobs bij de o.m bovengenoemde architecten, richt de jonge garde al snel een eigen bureau op. De redenen hiervoor zijn divers. De opportuniteit van een opdracht, een gewonnen wedstrijd of de overtuiging dat architectuur op een radicaal andere manier gemaakt kan of moet worden, zijn vaak de aanleiding. Opvallend is de manier waarop vele van de bureaus die in deze uitgave aan bod komen hun werkrelaties organiseren. Dat het modernistische archetype van de eenzame, scheppende architect die zijn goddelijke creatie door een legertje ondergeschikten laat uitvoeren achterhaald is, weten we allang. De wedstrijdcultuur en de verregaande specialisatie van de verschillende architectuurdomeinen maken het vandaag onmogelijk voor architecten om niet als team naar buiten te treden. Maar de nieuwe generatie architecten gaat nog een stap verder in de decentralisatie binnen het beroep. Binnen een bureau heeft elke medewerker zijn rol, maar vennoten en medewerkers spreken elkaar op ooghoogte, er is geen plaats is voor een rigide of streng hiërarchisch systeem. Stéphane Damsin (Ouest) : “L’équipe, c’est Jan et moi et trois chefs de projet. Un super quintet. Sans envie de trop grandir, pour garder l’horizontalité actuelle. A partir de minuit, on ouvre la tequila.”

De schaal van de bureaus dwingt de jonge generatie ook tot samenwerken. Niet enkel met het klassieke team van ingenieurs en landschapsarchitecten, maar ook met andere architecten, onderzoekers en kunstenaars. Deze wisselende samenwerkingsverbanden voeden en versterken het bestaande internationale en transdisciplinaire netwerk waarin de jonge architecten zich bewegen en waaruit projecten van zeer uiteenlopende aard voortvloeien. “We werken voor altijd samen, maar niet steeds opnieuw.” Zo omschrijft Sander Rutgers hoe hij samen met Lauren Dierickx binnen LDSRa kijkt naar de wisselende partners waarmee ze de architectuur bedrijven. Laura Muyldermans realiseerde met hen het ontwerp voor de nieuwe kantoorruimte in het voormalige Actirisgebouw (zie p XX), maar ontwikkelt evengoed meer theoretische projecten zoals “Inventory of experience” voor de Architectuurtriënnale van Oslo in 2019 in samenwerking met de onderzoeker Bart Decroos of “Sideline” een installatie in de publieke ruimte samen met architect Arian Schelstraete. Het betrekken van andere disciplines maakt vaak deel uit van de intrinsieke missie van het bureau. Zo bestaan de vennoten van Murmuur architecten bewust uit twee architecten en een bio-ingenieur zodat de milieu-impact van een gebouw steeds in rekening wordt gebracht. “We stellen ons steeds vaker de vraag of een nieuw ontwerp beantwoordt aan de kwaliteiten van een goed ecosysteem,” aldus Tinne Verwerft van Murmuur. De multidisciplinaire aanpak van BC architects die hun architectuuropleiding combineerde met studies in de filosofie, psychologie en een opleiding in bouwen met aarde leidde tot een internationaal gevierde praktijk die zowel ontwerpen als bouwmaterialen aflevert.

Dankzij het internet is het ook voor kleine bureaus haalbaar om een of meerdere poten in het buitenland te hebben. Zo werken Schenk Hattori en het bureau Sugiberry zowel in België als Japan, pendelt Bernard Dubois tussen Brussel en Parijs en maakt Ouest nog steeds deel uit van het collectief Supersudaca in Buenos Aires.

De uiteenlopende en veranderende constellaties waarin deze jonge architecten projecten realiseert staan vaak een duidelijke en herkenbare ‘signatuur’ van een bureau in de weg. Het lijkt alsof deze generatie minder op zoek is naar persoonlijk krediet en het verrijkende leerproces van de samenwerking verkiest boven een aanwijsbaar auteurschap. “We geloven in een gedeeld auteurschap; ideeën en ontwerpen ontstaan uit dialoog waarbij het achteraf niet noodzakelijk duidelijk hoeft te zijn wie exact de pen vasthield,” aldus Felt architecten. Toch hoeft samenwerken de vorming van de identiteit van een bureau niet in de weg te staan. Kelly Hendriks (B-ild): “De ontwerpen komen niet rechtstreeks van mijn hand, ze komen tot stand door de inbreng van het juiste talent, medewerkers en partners. Als je vaart met een goede boot moet je enkel sturen. Door een duidelijke visie te hanteren volgt de identiteit vanzelf. Het resultaat telt, niet het ego van de ontwerper.”

De identiteitsvraag staat wel degelijk centraal binnen het oeuvre van deze jonge generatie, maar ze gaat er anders mee om dan voorafgaande generaties die identiteit van het bureau misschien te vaak koppelden aan de volldige controle over het ontwerpproces. Radim Louda (Central): « L’identité d’une pratique va s’affirmer proportionnellement au travail fourni et à la gestion quotidienne du projet. De toute manière, le projet est le seul but commun à tous les intervenants. La question d’auteur est celle de la construction d’une pratique à long terme, de la conscience de son propre investissement et de l’affirmation progressive de ses fascinations. »

To build or not to build

Door het internationale netwerk waarin de meeste jonge architecten zich bevinden, reiken ook hun bekommernissen verder dan de landsgrenzen. Klimaatverandering, socio- economische omwentelingen, mobiliteit of verdichting zijn globale maatschappelijke thema’s die weerklank vinden in het werk van deze generatie die ze op haar beurt verrassend goed weet te vertalen naar een lokale context. Dit betekent niet dat de esthetiek van het architecturaal object verdwijnt, integendeel, maar ze staat ten dienste van een groter goed.

Hierin is plaats voor trage, gevoelige projecten die in directe samenspraak met de bouwheren en gebruikers ontworpen worden, zoals de Standaertsite van Murmuur – Carton123 – AE architecten. Daar waar de vorige generatie vernieuwend werk afleverde op gebied van energieverbruik bij nieuwbouw, vraagt deze generatie zich af of er überhaupt wel nog zoveel nieuw gebouwd moet worden en zoekt de antwoorden op duurzaamheidsvraagstukken elders. Slimme reconversie van gebouwen en hergebruik van materialen zijn een constante die geïllustreerd wordt door projecten zoals het Théâtre Le Rideau in Brussel van Ouest, de kantoren A6K in Charleroi van Traumnovelle of de recent gewonnen wedstrijd voor Usquare, de reconversie van een voormalige rijkswachterskazerne in het hartje van Brussel door BC architects, in samenwerking met evr-architecten en Callebaut architecten.

Dit project is tevens een illustratie van de hernieuwde aandacht die jonge architecten vandaag aan de dag leggen voor de rol die ambacht speelt in de architectuur en die meteen ook de ambitie heeft om zelf te gaan bouwen. Felt: “De wisselwerking tussen ontwerper en maker is voor ons erg waardevol. In meubel- en kleinere projecten zitten we al in de ontwerpfase samen met uitvoerders. We testen aan de hand van stalen, mock-ups en schaalmodellen en willen ruimte laten voor experiment.” Atelier Scheldeman gaat hierin nog verder en maakt er een punt van om elk ontwerp eigenhandig uit te voeren. Het liefst met zelf gerecupereerde materialen zoals het hout voor het tuinhuisproject ‘Schuur’ of de ontmoetingsplaats in de voormalige blikfabriek in Hoboken.

De betrokkenheid met de stad – niet als ruimtelijke figuur, maar als organisme – is nog steeds sterk aanwezig, maar er is duidelijk een groeiende aandacht voor wat zich buiten de stad afspeelt: van de perifere sprawl tot dorpsarchitectuur in een landelijke context waarvan het werk van LRA en Goffart-Polomé getuigt.

Maar niet alle architecten willen bouwen. Of toch niet steeds. Dit is waarschijnlijk de eerste generatie die zo complexloos afstand kan nemen van het gebouwde object als enige uitdrukkingsvorm van de architectuur. In tegenstelling tot twintig jaar geleden waar architecten zoals Luc Deleu, Xaveer De Geyter, Pierre Hebbelinck of Wim Cuyvers, om er enkele te noemen, zich bijna aan de architectengemeenschap moesten verantwoorden voor het occasioneel buiten de lijntjes kleuren van de reguliere Belgische bouwcultuur, kunnen jonge architecten vandaag een stuk gemakkelijker tussen verschillende formats schakelen. Ongetwijfeld aangemoedigd door een transdisciplinaire aanpak die aanving tijdens de studies en nadien in verschillende samenwerkingsverbanden werd doorgezet, rekt deze generatie het begrip architectuur zo ver mogelijk open en weigert ze zich in één hokje te laten stoppen.

De meeste jonge architecten combineren een praktijk met een les- of onderzoeksopdracht aan één of andere architectuurfaculteit. Aslı Çiçek gaat hierin nog verder en realiseert naast tentoonstellingsarchitectuur ook verschillende interieuropdrachten, geeft les en publiceert architectuurkritiek in verschillende tijdschriften. Gijs Van Vaerenbergh bewandelt met hun oeuvre de dunne lijn tussen land art en architectuur dat zowel de poëzie van een kunstwerk als de pragmatiek van een stedenbouwkundige interventie in zich draagt. Sophie Dars en Carlo Menon geven sinds een aantal jaar het tijdschrift Accatone uit dat een radicaal andere blik werpt op welke vorm architectuur kan aannemen en waarmee ze een beperkt maar internationaal toonaangevend publiek bereiken. Na decennia van plichtsbewust bouwen vindt de jonge generatie opnieuw de weg naar de intellectuele rijkdom van ‘paper architecture’, nieuwe ideologische manifesten en geschreven fictie als middel om architectuurkritiek vorm te geven. De drie architecten van Traumnovelle en het collectief Orthodoxe waarvan Pauline Fockedey (Nord) deel uitmaakt, nemen hierin een voortrekkersrol.

België heeft de afgelopen 20 jaar een gouden generatie voortgebracht die ons land vandaag de referentie maakt voor architectuurcultuur. Dit maakt het op zich niet makkelijker voor de nieuwe generatie die nu aan zet is. Zij laten zich echter niet verblinden door het succes van hun voorgangers en wijken zelfbewust van de geijkte paden af. Zich bewust van de maatschappelijke uitdagingen binnen een bij momenten problematische economische en sociale context vinden ze de veerkracht om de veranderingen naar hun hand te zetten. In hun prille oeuvre zetten ze nu al bakens voor een nieuwe opvatting van wat de architect kan zijn en hoe architectuur tot stand moet komen: internationaal, transdisciplinair en vooral samen.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief