Gepubliceerd op 18.11.2021 | Tekst: François Schreuer

A+292 Oversize: Adaptive Reuse

Je kan het volledige artikel lezen in A+292 Oversize: Adaptive Reuse Bestel hier een exemplaar of neem een jaarabonnement op A+ en mis geen enkel nummer!

In oktober 2011 besloot multinational ArcelorMittal te stoppen met de warme lijn van de Luikse staalindustrie. Exact tien jaar later is er geen werknemer meer aanwezig in de gigantische infrastructuur die zich nog altijd tegen het landschap aftekent, maar is de vernedering nog steeds voelbaar. De arbeiders uit het staalbekken, die ooit het gietijzer temden dat er door de giethallen vloeide, lossen vandaag vliegtuigen vol Chinese e-commerce…

Maar we moeten de bladzijde omslaan. De sluiting van de cokesfabriek van Ougrée in juni 2014 smoorde de laatste hoop van de vakbonden en maakte de lucht in de Luikse vallei weer adembaar. Het opblazen van hoogoven 6 (HF6), die steeds als een zwarte kraai had uitgetorend boven het centrum van Seraing en nu uitgeput neerzeeg, maakte in december 2016 het onvermijdelijke, nieuwe tijdperk tastbaar. In 2018 stierf de laatste hoop die sommigen nog koesterden voor een zeer theoretische heropening van de hoogoven Ougrée B (HFB), waarna de sloopvergunningen volgden om alles met de grond gelijk te maken.

In dit verstilde staaltheater, een paradijs voor urbexers, wordt het masterplan Vallée ardente ten tonele gevoerd, gedragen door het Gewest en de belangrijkste lokale politieke spelers, die dit bijna 300 hectare grote gebied, de vier belangrijkste sites van de ‘warme lijn’, weer voor industrie willen benutten. Het gaat om de voormalige HF6, de cokesfabriek, de HFB en stroomafwaarts tussen de Maas en het Albertkanaal, aan de andere kant van de stad, de immense site van Chertal. Hier kwam het hete gietijzer na een traject van 20 km in speciale treinwagons aan om er staal van te maken. Hetzelfde Chertal waar de historische afspraak met een geïntegreerde, quasi-maritieme staalindustrie werd gemist, die het alter ego moest worden van het Vlaamse Sidmar. Dit kwam door een gebrek aan anticipatie, strategie, leiderschap en maatschappelijke consensus, zo merkte Marcel Genet zonder veel mededogen op in zijn ‘Laplace-rapport’ in 2012, waarin hij ook concludeerde dat er ‘verzoeningscommissies’ moesten worden opgericht om deze mislukking te boven te komen. Dit even om te schetsen wat de inzet is.

Het Franse Agence Ter kreeg, in samenwerking met het Luikse bureau Baumans-Deffet, Idea Consult (economie), Inddigo (mobiliteit) en Hekladonia (milieu), de opdracht om een masterplan op te stellen van Waalse minister van Economie, Willy Borsus, en van de Société de gestion et de participation (Sogepa). Op hetzelfde moment werd Studio Paola Viganò (met Sweco) aangeduid om de Carsid-site in Charleroi aan te pakken.

Het kostte deze bureaus slechts negen (te?) korte maanden van intensieve samenwerking met het Gewest om het publiek een onderhandelde visie op de toekomst van het staalbekken aan te reiken. Ze weerspiegelt de spanningen die dit dossier onvermijdelijk met zich meebrengt, maar gaat ook op zoek naar een redelijk compromis, dat door de vele verwachtingen die men van deze site heeft nog niet werd bereikt. De voorstelling van het masterplan was een succes. Er volgde immers geen boegeroep… en dat is al heel wat.

Deze bereidheid tot compromis is opmerkelijk wanneer het om erfgoed gaat. Nadat het Gewest in het voorjaar (kwaadwillig?) had aangekondigd dat alle sites onherroepelijk zouden worden gesloopt – waarop de gemeenteraad van Seraing een motie indiende om de laatste hoogoven te redden – zette het op vraag van de vakbonden en na druk van verenigingen en studiebureaus uiteindelijk toch de deur op een kier voor het behoud van een tiental emblematische gebouwen op de vier industriesites. Het ging onder meer om de schachttoren, de gietvloer en de HFB-cowpertorens. Sommige leden van de Waalse meerderheid waren erg opgetogen, maar het is en blijft weinig om de volgende generaties een goed inzicht te geven in de vroegere glorietijden van de staalproductie. Bovendien gaf het Gewest niet de minste garantie wat de financiering van de renovatiewerkzaamheden van dit erfgoed betreft. Dit staat in schril contrast met het Duitse Landschaftspark Duisburg-Nord (Peter Latz) of met de grote Waalse of Limburgse mijnsites, maar het is beter dan niets…

Naast het oplossen van dit eerste twistpunt vult het nieuwe masterplan de hiaten op in het Masterplan voor de vallei van Seraing (Reichen & Robert et al.), dat de stad Seraing in 2004 liet opstellen met het nakende einde van de zware industrie in zicht. In dit plan werden de toen nog werkende cokesfabriek en de HFB bewaard en werd de reconversie geschetst van de HF6-site, met rond een stadsboulevard geschikte huisvesting en kleinschalige economische bedrijvigheid. Dit programma op deze ‘zeer heuvelachtige’ locatie wordt door de auteurs van het nieuwe masterplan bewaard. De topografische lezing is echter gedetailleerder en de boulevard wordt aangelegd met respect voor de topografie van het bestaande terrein (dat in de vorige plannen werd genivelleerd), waarbij ook de rotswanden meer tot hun recht komen.

Het masterplan van Ter vult het plan van 2005 verder aan door het concept van een aaneenschakeling van parken op subtiele wijze te integreren. Arlette Baumans verdedigt dit als een enorme groene continuïteit die vorm krijgt op schaal van het hele stedelijke gebied en die Val Saint-Lambert verbindt met de vijvers van Julienne. Het biedt ook de nodige coherentie om de sites van Seraing en Chertal eventueel in één enkele studie te behandelen. Deze visie zou ook kunnen worden doorgetrokken op het grondgebied van de centraal gelegen stad Luik, binnen het Gemeentelijk Ontwikkelingsplan (GOP) dat daar momenteel wordt uitgevoerd, waarbij het bureau Baumans-Deffet eveneens betrokken is. In Seraing zien we deze aaneenschakeling van parken in een voornemen om grote groene ruimten aan te leggen met uitzicht op de Maas, op de twee Ougrée-sites die zich stroomopwaarts langs de spoorlijn uitstrekken. Het valt nog te bezien of de stad Seraing deze visie zal overnemen door de ontbrekende knooppunten voor haar rekening te nemen, want dit zou betekenen dat wordt afgezien van de stedenbouwkundige projecten van het Trasensterpark of van de onontgonnen terreinen van Val Saint-Lambert.

De aaneenschakeling van parken maakt het project complexer. Het uittekenen van een nieuw industrieterrein ten behoeve van de ondernemingen uit de regio die gewoon een industriezone wensen, was ook een mogelijkheid. Dit zou zeker beantwoorden aan de vereisten op het vlak van kwaliteit en densiteit, maar niet op het vlak van een gemengd gebruik. Op de site van de cokesfabriek (‘la platforme alluviale’) creëert het nieuwe masterplan een mix van functies en meandert het tussen een industriële kade en een hypothetische – en nogal onzekere – grote culturele infrastructuur gevestigd in de voormalige cokesovens. Welke overlast zal dit programma, waarin sprake is van hernieuwbare energie, houtindustrie, circulaire economie… veroorzaken? Het is alleszins een van de sleutels tot het succes van deze gedurfde mix.

Op de HFB-site (‘château archipel’) speelt de aard van de toekomstige industrieën en wijkt de visie enigszins af van de oorspronkelijke bedoeling om een woonwijk aan te leggen. Is culturele industrie een industrie? Is de kracht van deze plek niet productiever dan een paar hectaren extra die aan de particuliere sector worden toegewezen? In deze turf van 500 blad- zijden verleent het festival Les Ardentes discreet zijn naam aan een van de parken, met de bedoeling Ougrée op de kaart te zetten als dé grote evenementenlocatie die Luik ontbeert sinds de verkoop van Coronmeuse aan projectontwikkelaars. De auteurs grijpen dit zelfs aan om eindelijk enige inhoud aan het idee te geven dat de universiteit van haar heuvel zou kunnen afdalen om zich langs de oevers van de stroom te vestigen met een faculteit rond de hoogoven, dicht bij de populaire wijken. Even is er zelfs sprake van een kabelbaan die Ougrée met de campus zou verbinden, maar dit idee verdwijnt later.

[…]

In samenwerking met Cellule Archi

Architects Agence Ter – Baumans-Deffet
Project name Masterplan stratégique de déploiement industriel et économique des sites dits de Chertal, HFB, Cokerie et HF6 à Liège
Location Seraing, Oupeye

Programme The objective of the master plan is to project the economic, social and environmental potential of these strategic sites across their basin and region. The master plan will reflect at the level of each site the redeployment strategies that will have been developed for each of them.

Procedure International competition
Client Sogepa

Landscape architect Belgique
Completion September 2020
Total floor area 3,000,000 m2
Budget N/a

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief