Gepubliceerd op 28.06.2021 | Tekst: Christophe Van Gerrewey | Foto's: Stijn Bollaert

Het crematorium dat Office Kersten Geers David Van Severen samen met Richard Venlet in Oostende bouwde, is het resultaat van een Open Oproep uit 2013. Het is een moeilijke ontwerpopdracht: een plek maken voor een laatste afscheid of als ultieme verblijfplaats. Functionaliteit mag niet routineus worden, maar de architectuur kan zich evenmin pathetisch op de voorgrond plaatsen.

Dat alleen een klein gedeelte van de architectuur kunst genoemd kan worden – het graf en het monument – is een bekende bewering van Adolf Loos waarvan de geldigheid niet meer zeker is. Misschien is architectuur enkel nog in het aanschijn van de dood geen kunst te noemen – geen persoonlijke expressie, geen etalage voor identiteit en verschil, en geen vrijgeleide voor sociale of andersoortige experimenten. ‘Dying / Is an art, like everything else’, schreef Sylvia Plath in de bundel Ariel, maar sterven is ook de enige ‘kunst’ die we nog met z’n allen delen, die niet gecommercialiseerd is, en die zelden tot discussies leidt op sociale media, in opiniestukken of in talkshows. Als architectuur het laatste bastion van de metafysica is, zoals Jacques Derrida in 1985 beweerde, dat is dat bastion bijna veertig jaar later zodanig gekrompen dat alle leven er letterlijk uit is verdreven. Om nog op metafysica aanspraak te maken – en om niet als een zoveelste hoogst individuele, subjectieve en bedenkelijke activiteit gerelativeerd te worden – moet architectuur zich met de dood bezighouden.

Makkelijk is dat niet. Bekend voorbeeld is de begraafplaats van San Cataldo uit 1971, van Aldo Rossi en Gianni Braghieri, waarmee de Italiaanse architecten een stijl wisten te ontwikkelen die, in de woorden van Ada Louise Huxtable, “een huiveringwekkend mooie beeldtaal bevat van celblokken en torens met de intensiteit van een concentratiekamp, verheven tot een vorm van elegante abstractie”. Voor het werk van Office blijft het rationalisme van Rossi belangrijk, maar toch is het niet zozeer San Cataldo waaraan het crematorium in Oostende doet denken. Stroeve strengheid is afwezig omdat het columbarium en de grafurnen het terrein – onderdeel van het te ontwikkelen stadsrandbos – niet ommuren. Net als het crematorium staan de elementen verspreid in een landschap, ontworpen door Bureau Bas Smets, als een dichter begroeide verderzetting van de polders.

Het crematorium zelf is evenmin een toonbeeld van symmetrie, ascese en repetitie. Of liever: het is dat wel, maar niet exclusief. Zoals in eerdere projecten hanteert Office niet één maar twee compositorische systemen (een vierkant van acht op acht zuilen en een reeks van zes evenwijdige stroken) die elkaar kwansuis tegen het lijf lopen. Het leidt tot een botsing die accidenten en incidenten tot gevolg heeft, in de vorm van restruimtes, diagonale perspectieven en onverwachte shortcuts. Door de kamers, zalen, gangen, burelen en technische ruimtes in stroken van verschillende breedte te concentreren, en vooral door die stroken twintig graden te draaien ten opzichte van het vierkant dat door de achtentwintig kolommen wordt gedefinieerd, krijgt de monotonie – en de harde, destructieve aspecten van alles wat in dit gebouw gebeurt – letterlijk een draai. Doodgaan is een kunst, maar achterblijven – en getuige zijn van andermans verdwijnen – is dat nog veel meer. Dit gebouw is een machine voor het verassen van lijken, en probeert dat niet te verhullen door met al te sculpturale gestes of architecturale ontroering de illusie van troost aan te reiken. Maar de rechtlijnigheid, de directheid en het seriële karakter van de dood wordt afgewend: de weg naar het einde wordt via omwegen en in staties aangelegd, als in een nutteloos, maar niet zinloos ritueel – het zou een definitie voor architectuur kunnen zijn.

Voor het exterieur is vooral het dak bepalend, zodanig hellend dat het de vijfde, of eerder nog de enige gevel wordt. De verschijningsvorm doet daarom aan een project van Rem Koolhaas denken, een andere architect door wie Office is beïnvloed. OMA nam in 1988 deel aan de wedstrijd voor het Nederlands Architectuurinstituut, met als voorstel een driehoekig hellend dak, ondersteund door een raster van palen. In OMA’s NAi zouden de archieven zich in één scheve zwarte toren bevinden, terwijl in het crematorium een aantal vormen over het dak zijn uitgestrooid, om technische of meer symbolische redenen, bijvoorbeeld om extra licht binnen te laten in de ceremoniezalen. Het maakt het gebouw tot een licht enigmatische verschijning waarvan de functie zich niet zomaar laat raden. Dit crematorium is een verzameling ruimtes onder een dak, een grote doos zoals die zich overal kan bevinden, terwijl het wel degelijk om een uitzonderlijke plek gaat, die even waardig als licht, en zelfs met een zekere blijmoedigheid, op bezoek wacht. In de recente roman No One Is Talking About This schrijft Patricia Lockwood aangrijpend, maar ook een beetje komisch over een begrafenis; een beschrijving die met een zin besluit die ook op dit gebouw van toepassing kan zijn, functioneel en ondoorgrondelijk, sereen en alledaags als het is: ‘So specificity was present as a living thing, a guest.’

Architect Office Kersten Geers David Van Severen in collaboration with Richard Venlet
Website officekgdvs.com
Official project name Crematorium
Location Ostend
Programme Crematorium

Procedure Open Call (Team Flemish Government Architect)
Client OVCO (Opdrachthoudende Vereniging voor Crematoriumbeheer in het Arrondissement Oostende)
Lead contractor
M&J Braet (building)
Engie Fabricom (building techniques)
Babo (interior & ceremonial fixed furniture)

Landscape architect Bureau Bas Smets
Structural engineering Util struktuurstudies
Services engineering hp engineers
Acoustics Daidalos Peutz

Completion May 2021
Total floor area 1,750 m2
Budget € 540,000 (excl. VAT and fees)
Product / supplier Schüco (curtain wall façade)

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief