Gepubliceerd op 03.05.2021 | Tekst: Pieter T’Jonck

De naam Victor Bourgeois (1897-1962) zegt de meeste architectuurstudenten en architecten nog weinig. Vreemd wel, want deze architect-stedenbouwkundige speelde een cruciale rol in de algemeen bekende geschiedenis van CIAM en het modernisme tussen 1918 en 1945 in België en Europa. Bourgeois had een centrale rol bij de eerste drie CIAM congressen, en werd ei zo na voorzitter van CIAM na het Congres in Brussel (1930). Hij ontwierp op zijn 25e al de tuinwijk ‘La cité Moderne’ in Sint-Agatha-Berchem, en oogstte daarmee meteen erkenning in heel Europa. In zijn boek ‘Victor Bourgeois -Modernity, Tradition and Neutrality’ verduidelijkt Iwan Strauven niet alleen de betekenis van de man als architect, stedenbouwkundige, publicist en leraar, maar laat ook zien waarom de aandacht voor zijn werk zo snel taande.

Het ‘raadsel’ Bourgeois heeft alles te maken met de complexiteit -of zo je wil: bochtigheid- van zijn denken over architectuur en stedenbouw. Die liet ook duidelijk zijn sporen na in zijn omvangrijke gebouwde oeuvre. Hij bleef immers actief tot aan zijn vroege dood, een paar weken nadat hij op pensioen ging als professor aan ‘La Cambre’ (het ‘Institut d’ Arts Décoratifs’ ISAD, later omgedoopt tot ‘Ecole Nationale Supérieure d’ Architecture et des Arts Décoratifs’ ENSAAD).

Bourgeois start zijn carrière als een radicale vernieuwer. ‘La Cité moderne’ is met zijn plastische gevels en inventieve plattegronden sterk verwant met de vormelijke bravoure van Nederlandse architecten als J.J.P. Oud of Jan Wils. Strauven wijst er echter op dat Bourgeois zelfs op dat ogenblik al gevoeliger is voor de context dan het lijkt. Aan de rand van de wijk verving Bourgeois bijvoorbeeld platte daken door een meer traditionele bouwstijl met hellende daken, om de breuk met eventuele latere verkavelingen te verzachten.

Als de tuinwijkgedachte een vroege dood sterft in België, omdat de Overheid het niet zo begrepen heeft op die ‘rode’ tuinwijken, neemt Bourgeois noodgedwongen vooral privé-opdrachten aan, maar werpt zich tegelijk op als stedenbouwkundige. Hij deed dat niet alleen binnen CIAM, hij bedacht ook spraakmakende plannen voor ‘Le Grand Bruxelles’, ‘Le Nouveau Bruxelles’, een ‘Urbaneum’, naar de ideeën van Paul Otlet, en tenslotte ook plannen voor een lijnstad tussen Charleroi en Antwerpen, de beruchte ‘ABC-as’. Zijn socialistische overtuigingen spelen daarin sterk mee.

Die plannen kwamen hem, door hun ogenschijnlijk nogal rücksichtslose ingrepen op de bestaande stad na WO II (en door oppervlakkige gelijkenissen met het catastrofale ‘Manhattanplan’ voor de Noordwijk) op veel kritiek te staan. Strauven toont echter overtuigend aan dat die kritiek berust op een al te oppervlakkige lezing van de plannen. Anders dan Le Corbusier hield Bourgeois bijvoorbeeld wel rekening met de historische stad. Hij integreerde belangrijke assen in zijn plan en maakte niet helemaal komaf met het bouwblok. Zijn alternatieve voorstel voor een Centraal Station langs het Kanaal in Brussel was, als voorloper van de ‘contre-projets’ van ARAU in de jaren 1970, overigens ook heel wat slimmer dan het uiteindelijk gerealiseerde tracé.

Ondertussen was Victor Bourgeois, vaak in tandem met zijn broer Pierre, een onvermoeibaar uitgever van tijdschriften als ‘7 Arts’. Daarmee woog hij op het Belgische debat en bouwde hij een enorm netwerk uit. Dat legde hem, in de jaren 1930, geen windeieren: hij kreeg de prestigieuze opdracht voor het Postchequegebouw in Brussel. Daar gebeurde iets merkwaardigs: Bourgeois greep plots naar een monumentale, eerder saaie vormentaal. In zijn geschriften zie je een zelfde wending: hij benadrukte steeds vaker de lessen van het verleden, en dan met name van de renaissance. Bij herhaling loofde hij ook de neoklassieke aanleg van de wijk rond het Warandepark in Brussel. Hij haalt, zeker na de oorlog, in zijn teksten zelfs de klassieke traktaten van Guadet en Choisy -boegbeelden van de ‘Beaux Arts’ van stal om zijn denkbeelden te onderbouwen.

Zijn werk wordt, onder invloed daarvan, steeds soberder, zelfs uiterst terughoudend, in sommige gevallen gewoon banaal. Weg is de vormelijke bravoure van de beginjaren. Ook van de wereldverbeteraar Bourgeois lijkt weinig over. Het komt hem al voor de oorlog op heel wat withete kritiek van modernisten die meer recht in de leer waren te staan. Na de oorlog schrijven critici als Geert Bekaert dat latere -maar in omvang veel grotere- oeuvre af als ‘minder belangrijk’.

In het laatste hoofdstuk van het boek, dat de rol belicht die Bourgeois speelde als professor aan ‘La Cambre’, krijg je echter een zicht op de beweegredenen en de complexe denktrant van Bourgeois. Hij werd door studenten als Jacques Dupuis, Willy Vandermeeren, Lucien Engels en Charles Vandenhove op handen gedragen, omwille van zijn open houding en pertinente analyses en adviezen. Zo blijkt dat Bourgeois in wezen een anti-dogmatisch denker en ontwerper was. Hij schuwde te radicale posities die de lessen van het verleden negeerden, maar begreep tegelijk dat je niet in dat verleden kon blijven hangen.

Dat kostte hem zijn plaats in de geschiedenis. Bij herhaling werd hij -op het laatste moment- terzijde geschoven als ‘kopman’. Bij CIAM nam Cornelis Van Eesteren na het congres in Brussel zijn plaats als voorzitter in. In ‘La Cambre’ werd hij -als professor van het eerste uur- terzijde geschoven als directeur na het vertrek van Herman Teirlinck. De reden: een ‘te warrige denktrant’, te weinig consistentie in het oeuvre. Tussen de regels lees je ook dat hij teveel een ‘bon vivant’ was of zelfs teveel bezig met het verwerven van opdrachten. Ironisch is wel dat Léon Stynen met de benoeming ging lopen. Die liet zich als gewiekste zakenman immers zeker niet minder onbetuigd.

Het boek van Strauven schetst, zeker in dat laatste hoofdstuk, niet alleen een portret van de man Bourgeois, maar ook van het architecturale en artistieke klimaat in België tussen ruwweg 1920 en 1960. Hij ploos daarvoor zowat alle -soms zeer schaarse- bronnen uit. Enkel over de ‘mens’ Bourgeois kom je niet bijster veel te weten. Het komt op het einde wat als een verrassing om te lezen dat hij blijkbaar een ‘bon vivant’ was. Over zijn familiaal leven kom je zelfs quasi niets te weten. Het had mogelijk meer licht op zijn positie kunnen werpen. Maar in ruil krijg je wel een schat aan feitelijke informatie. Het boek eindigt bijvoorbeeld met een zeer uitgebreid oeuvre-overzicht en een enorme bibliografie. Maxime Delvaux voegde daar een reeks foto’s van de bouwwerken in hun huidige staat aan toe. Dat maakt het meer dan de moeite waard.

Victor Bourgeois – Modernity, Tradition and Neutrality
Auteur: Iwan Strauven
Uitgever: nai 010 uitgevers, Rotterdam
Vormgeving: Jurgen Persijn
Taal: Engels
ISBN 978-94-6208-460-5
Prijs: 69 €
Info: nai010.com

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief