Gepubliceerd op 03.05.2021 | Tekst: Pieter T’Jonck

De tentoonstelling ‘Luc Deleu – T.O.P. Office / Future Plans 1970-2020’ van het Vlaams Architectuurinstituut in de Singel is een heroïsche poging van curators Peter Swinnen en Anne Judong om 50 jaar werk van architect, stedenbouwkundige en kunstenaar Luc Deleu te testen op zijn toekomstbestendigheid. Ze tonen daarom haast geen gebouwde projecten. Dat zijn er trouwens weinig. ‘Eentje per jaar’, volgens Deleu. Ze leggen de nadruk op de vele voorstellen die Deleu lanceerde om de wereld anders, beter te bedenken. Daaruit blijkt ook een andere opvatting van de begrippen ‘architect’ en ‘architectuur’ dan de gebruikelijke. De curatoren falen, maar dat stond in de sterren geschreven, gezien de immense omvang van Deleu’s productie. Maar ze falen wel op schitterende wijze. De meester zelf liep even mee, en gaf hier en daar wat commentaar.

‘Future plans’ dijt uit tot ver buiten de tentoonstellingszaal van de Singel. ‘De Zeemijl’, een 18,52 meter lange maquette op schaal 1/100, strandde bijvoorbeeld op het hellend vlak naar de Rode en de Blauwe Zaal, ver van de expositieruimte. Het is een duizelingwekkende stapeling van dekken, onderling verbonden door trappen en liften, en her en der gemarkeerd door uitspringende skeletconstructies. Het geheel is precies één zeemijl lang, dat is 1 minuut van de omtrek van de aarde. 360*60 zo’n constructies maken dus precies één draai om de aarde. Eén ‘Zeemijl’ is bestemd voor ruim 9500 bewoners/gebruikers, zodat een volledige omwenteling er 200 miljoen zou huisvesten… Het zou de ‘footprint’ van de mens drastisch reduceren, en tegelijk de communicatie enorm faciliteren. Het brengt je aan het duizelen. Het geeft ook een ambitie aan…

Hoe deze compositie tot stand kwam valt af te lezen op de diagrammen die gekleefd zijn op de sokkel: Blokjespartituren, die ritmisch de frequentie en omvang van voorzieningen weergeven. De maquette is daarvan de vertaling: een perfecte organisatie, ondanks de schijnbare grillige vormen en combinaties. De sokkel is 1,13 m hoog, zodat je min of meer op ooghoogte in de maquette kijkt. Door de helling van de vloer kantelt de maquette echter licht voorover, zodat je al van ver de ingewanden van deze lijnstad ontwaart.

De hoogte van 1,13 m is wellicht geen toeval. Het is de helft van de basismaat van de ‘Modulor’ van Le Corbusier. Diens geest zweeft dan ook over dit project. Het is een verre erfgenaam van het ‘Plan Obus’ voor Algiers. Dat combineerde in één megavolume langs de kustlijn transport, voorzieningen en bewoning. Het fascineert Luc Deleu nog altijd: ‘Het ‘plan Obus’ legt op grote schaal een orde op, maar laat daarbinnen alle vrijheid aan de bewoners. De wanorde van het dagelijkse leven en de orde van het geheel versterken elkaar. De meeste architecten zijn geobsedeerd door orde, maar ze passen die toe op de verkeerde schaal, die van de woning en het interieur. Daar moet je chaos nu net toelaten. In de publieke ruimte daarentegen heb je een zekere samenhang nodig. Maar daar geven ontwerpers dan weer verstek: men rommelt maar wat aan, zonder zicht op de globale context’.

‘De Zeemijl’ is slechts een voorproefje van wat volgt in de expositieruimte. Die zaal is notoir lastig in te richten. Over 2/3 van de lengte heeft ze een grote hoogte, maar sinds de tentoonstelling van Dom Vanderlaan neemt een houten stellage (nu gelukkig weggemoffeld achter een beplating) een stuk ervan weg. Het laatste derde van de zaal is daarentegen erg laag, en heeft een secundaire ingang. De scenografie van Peter Swinnen en Anne Judong herdenkt die ruimte met een paar forse ingrepen. Over de hele lengte van de zaal, en ongeveer in de helft van de breedte, loopt een smal glazen toonvlak van ca. 30 cm. Dwars daarop, net op de grens van het hoge en lage deel, loopt een tweede glazen toonvlak van muur tot muur. Het lage deel van de zaal is zo afgesloten van het hoge en enkel toegankelijk vanaf de secundaire ingang.

Voor je de zaal betreedt is er, na de ‘Zeemijl’ echter een tweede schot voor de boeg. Aan de ingang staat een rechtop gekantelde maquette van een banale verkaveling, met daarnaast foto’s van verkavelingswoningen. Ze zijn deel van Deleu’s ‘Manifest aan de orde’ (1980-1987). In die periode ‘leende’ Deleu zijn handtekening aan iedereen die een bouwaanvraag wilde doen zonder ‘bijstand’ van een architect. Hij stelde daarmee de verplichting aan de kaak om bij elke bouwaanvraag een architect in te schakelen. Belangrijker is dat hij zo ook de beperkte invulling van het beroep door de Orde van Architecten ridiculiseerde. Moeten architecten wel bezig zijn met de individuele woning? Welk belang heeft/dient dat? Het kwam hem op een forse aanvaring met de Orde te staan, die heel wat stof deed opwaaien. Niet dat er sindsdien iets veranderde… Maar zo is de toon alvast gezet: dit oeuvre gaat over aan andere manier om architectuur te bedrijven in een tijd van toenemende globalisering, mobiliteit en communicatie, met alle problemen én kansen die dat meebrengt.

Als je dan het hoge deel van de zaal binnenstapt wordt je meteen overrompeld door het plateau dat de hele lengte en de halve breedte ervan beslaat. Het motief van de helling keert hier terug. Vanaf de ingang zakt het plateau in twee richtingen naar beneden weg. Op het einde komt de tip van de plaat bijna tot op de vloer. Alsof de plaat zijn eigen gewicht en dat van de vele maquettes en objecten niet kon dragen. Pas dan let je op het presentatievlak dat ervoor doorloopt of zie je het wel twee meter hoge fries dat rondom de zaal loopt. Het is een 360° geabstraheerde representatie van een complexe stedelijke ruimte. Op de muur links prijken extra tekeningen en collages.

In deze ruimte loop je in min of meer chronologische volgorde langs de verschillende fazen in het oeuvre. Het is haast teveel om te bevatten, en toch is dit maar een fractie van de voorstellen die Deleu in de loop van 50 jaar met zijn bureau T.O.P. Office maakte voor een organisatie van de omgeving die niet vertrekt van het individuele perceel of de kleine schaal, maar radicaal denkt vanuit de wereld als geheel aan de ene, en de mens aan de andere kant. Die denkwijze is onmiskenbaar verwant aan het gedachtengoed van Buckminster Fuller, zoals zijn beeld van ‘spaceship earth’ . Ze leunt ook aan bij concepten uit de tegencultuur van eind jaren 1960: de ‘global village’ van Marshall McLuhan, de alternatieve, ecologische levenswijzen van Stewart Brand of de ‘tune in, turn on, drop out’ slogan van Timothy Leary (merk de gelijkenis met ‘Turn On Planning’).

Deleu was in Vlaanderen één van de weinigen die meteen besefte dat de beelden van de Aarde vanuit de ruimte die NASA toen vrijgaf ons een volledig nieuw ‘wereldbeeld’ opdrongen. Vanaf nu moest men op wereldschaal denken. Aan de ene kant omdat problemen als overbevolking, uitputting van middelen, vervuiling etc. prangender werden. Aan de andere kant omdat de wereld steeds mobieler en dus ook communicatiever werd. Als je dat als architect de goede kant op wil sturen vraagt dat andere middelen. Je werkt via de media, met acties en voorstellen. De eerste stukken van de tentoonstelling focussen op zo’n ‘Voorstellen’. Ze zijn nog steeds verbluffend pertinent. Een voorstel voor ‘totaal onbruik van de publieke verlichting’ uit 1973 bijvoorbeeld. Of een voorstel uit 1972 om de UIA niet in nieuwe gebouwen, maar in drie in onbruik geraakte vliegdekschepen te vestigen en zo de menselijke voetafdruk drastisch te reduceren. (Bedenk: in 1972 woedde de Vietnamoorlog nog volop: er waren geen ‘ongebruikte’ vliegdekschepen…)

Daarna ging het werk nieuwe richtingen op. ‘Tien jaar voorstellen resulteerden in een tentoonstelling in het ICC. Toen vond ik het wel tijd om een stap verder te zetten’, merkt Deleu op. ‘Ik wilde een plastisch thema ontwikkelen dat even straf kon zijn als symmetrie. Toen ik op het dak van het World Trade Center in New York stond viel me te binnen dat die Twin Towers er zoveel beter zouden uitzien als één van de twee plat lag. Door ‘The Fallen Monarch’ (een omgevallen reuzensequoia in het Yosemite National Park in Californië, nvdr) te zien, kreeg ik de ingeving om dat met ready mades uit te werken, zoals Marcel Duchamp al deed’. Het leidt tot de bekende experimenten met schaal en perspectief: de containerconstructies en de gekantelde elektriciteitspylonen. Later volgen ook de ‘Tumbling Towers’ voor Barcelona (1991).

Het oeuvre ontwikkelde zich daarna nog verder met het onderzoek naar de ‘onaangepaste stad’ waarvan ‘De Zeemijl’ het meest uitgewerkte resultaat is. Sindsdien ontwikkelt T.O.P. Office ‘Darling Springs’, een digitale versie van een stad die toelaat denkbeelden over stedelijke inrichting en organisatie uit te testen. Zo is een deel ervan een rasterstad waarvan de grote aders ingevuld zijn als parken. Het fries in de hoge zaal toont een stand van zaken. Inderdaad een vorm van denken en werken met mogelijk wereldwijde implicaties.

Het lage deel van de zaal toont geen werken, maar heeft een documentair karakter. Een donkergrijs hellend vlak domineert de rechterhelft ervan. Daarin zijn TV-monitors verzonken. Ze presenteren in loop een reeks reportages en documentaires over het werk van Deleu. In de resterende ruimte links gaat het over de wereldreizen van Deleu, Jules Verne achterna. Een manier om de wereldschaal, en de tijd die het kost om de wereld rond te reizen, in de vingers te krijgen. Je leest er fascinerende beschouwingen over in de publicatie bij de tentoonstelling.

De publicatie

Bij de tentoonstelling hoort inderdaad een publicatie. Het is geen gids. Die krijg je mee bij de ingang: een folder met een inleidend woord van Deleu zelf en een opsomming van de werken. Toch volgt de gids min of meer de chronologie van de tentoonstelling, aan de hand van doorgaans vrij korte teksten, één à twee bladzijden, waarin een zeer diverse groep auteurs -een architect als Xaveer De Geyter, maar ook een socioloog als Rudi Laermans of een filosoof als Lieven De Cauter- ingaan op een specifiek ontwerp. Dat leidt meer dan eens tot een ‘aha’ moment. Het boek werkt dus het best als je het leest na een bezoek, en dan misschien nog eens terug gaat kijken met andere ogen. Want inderdaad: hoe kundig alles ook gepresenteerd werd, en hoe raak de selectie van werken ook is, het is erg veel om in één keer te bevatten, laat staan op zijn consequenties in te schatten.

Een goed voorbeeld is ‘Ring road (1969-1970)’, één van de eerste teksten, van André Loeckx. Een van de langere teksten ook. Zijn beschouwing vertrekt vanuit Deleu’s plan uit 1969 (!) voor het sluiten van de Antwerpse Ring aan de Westzijde, op Linkeroever. Deleu liet de Ring in een grote boog om de woonzone heen lopen om in het noorden aan te sluiten op de buitenhaven en de autostrades ten noorden van de stad. Het plan smeedde linker- en rechteroever echter ook aan elkaar met een binnenring die over de Schelde doorliep. Loeckx vergelijkt dat plan met de uitkomst(en) van de huidige plannen voor de Ring. Hij stelt vast dat die alle infrastructuur onder de grond stoppen. Op die manier bepalen ze het beeld van de stad niet meer. Geen goed idee, volgens Loeckx. Ten bewijze haalt hij twee latere projecten van Deleu aan: de spectaculaire draaibrug over de Schelde in het project ‘Antwerp, Your next Cruise Stop!’ (1990) en het weergaloze Usieben-Pole ‘1994-1995), bedoeld voor het Donau-Insel in Wenen, maar volgens Loeckx misschien ook wel een prima model om de Ring rond Antwerpen aan te pakken. Uit die projecten blijkt dat Deleu fundamenteel anders denkt over infrastructuur: hij geeft die een monumentale rol in de stad. Hij ziet die -net als Aldo Rossi, maar op een geheel eigen wijze- als een totaalartefact, dat je ook als zodanig moet bedenken. Enkel zo’n doortastende gebaren maken een stad ‘Vaut le voyage’.

Loeckx wijst hier niet alleen op de consistentie in het oeuvre van Deleu, hij bestempelt Deleu zo ook uitdrukkelijk als een architect. Dus niet als een architect met een artistieke ‘bend’ maar een echte architect, die een grote greep doet. Bijna tussen neus en lippen verklaart Loeckx hier ook de weerzin die Luc Deleu, ook tijdens ons gesprek, tentoon spreidt voor spektakelarchitectuur à la Liebeskind of -zijn bête noire sinds vele jaren- Rem Koolhaas. Architecturale pirouettes die het beeld en het gebruik tot in detail bepalen, maar de ruimere context verwaarlozen. Orde op de verkeerde plaats.

Zo zijn er nog wel meer teksten in het boek die, af en toe op een licht badinerende, doorgaans in een strak betoog, analyseren wat Deleu tot stand bracht. Cruciaal zijn daarnaast enkele langere teksten van Deleu of zijn teamgenoten. In één ervan haalt Deleu herinneringen op aan zijn allereerste fascinatie met architectuur en infrastructuur, en hoe dat hem bracht waar hij nu staat. Maar er is ook een uitgebreide toelichting bij ‘Darling Springs’, het laatste en uitdagende project van T.O.P. Office. Het boek is daardoor op zich al meer dan lezenswaard, maar rendeert dubbel en dik als je je daarbij ook de tentoonstelling weer voor ogen haalt.

Expo

Luc Deleu & T.O.P. office. Future Plans
Datum: 28.04.2021-26.09.2021
Inkom: gratis
Locatie: deSingel (Expo), Desguinlei 25, 2018 Antwerpen
Productie: Vlaams Architectuurinstituut en deSingel
Coproductie: Muhka en Argos
Curator: Crit. / Peter Swinnen & Anne Judong
Scenografie: Crit. ism. T.O.P. office / Isabelle De Smet & Steven Van den Bergh

Book

Luc Deleu & T.O.P. office. Future Plans 1970-2020
Redactie en concept: Peter Swinnen, Anne Judong
Redactieraad: Peter Swinnen en Anne Judong, met Luc Deleu, Isabelle De Smet, Steven Van den Bergh, Laurette Gillemot, Tine Poot
Vormgeving: Kim Beirnaert
Vertaling en eindredactie: Patrick Lennon
Formaat: 180 x 120 mm
Taal: Engels
Publicatiejaar: 2020
ISBN: 9789492567192
Prijs: € 34,50
Info: vai.be

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief