Gepubliceerd op 24.06.2021 | Tekst: Pieter T’Jonck

Het gedroomde museum. Kunstmuseum Den Haag

Jan de Bruijn, Doede Hardeman, Jet van Overeem
nai010 publishers, Rotterdam, 2021
ISBN 978-94-6208-626-5
Hardcover, 22,25 x 29,3 cm, 176 pag.
Verkrijgbaar in Nederlands, Engels en Duits
Prijs: € 24,95

Hendrik Petrus Berlage had nooit gebrek aan prestigieuze opdrachten, maar toen Hendrik Enno Van Gelder, directeur van de Dienst Kunsten en Wetenschappen in Den Haag, hem in 1919 vroeg om mee te werken aan een nieuw museum, kwam dat voor hem als een opluchting. Zo kon hij eindelijk een punt zetten achter zijn opdrachten voor Hélène Kröller-Müller. Er stond Van Gelder een ambitieus plan voor ogen: een museum dat geen stoffige, eindeloze suite van zalen zou zijn, maar een plek waar iedereen zich kan laven aan de kunst, zonder er dodelijk vermoeid van te worden. ‘Het gedroomde Museum’ vertelt de geschiedenis van dat Museum, maar het boek zelf is ver van een gedroomde publicatie.

Helemaal van een leien dakje ging het ontwerp van het Haags Gemeentemuseum niet. Het eerste project van Berlage en Van Gelder leek meer op een mega-cultuurcentrum met zijn imposante koepelzaal en congresfaciliteiten en een concertzaal voor 2500 man toe. Het Museum zelf bevatte een afdeling Schone Kunsten en een afdeling Kunstnijverheid (met onder meer ook de ‘stijlkamers’). Daar had de gemeente de centen niet voor. Pas in 1927 kreeg Berlage groen licht voor een tweede, veel bescheidener project.

Het verschil met het eerste project is opmerkelijk. Het eerste bood een imposante aanblik, het tweede is een vrij heterogene groep lage bouwblokken in eenvoudige baksteen. Berlage bedacht dit gebouw immers van binnen naar buiten. Hij deed er alles aan om een zo gevarieerd mogelijk parcours te bekomen om ‘museumvermoeidheid’ te vermijden. Hij besteedde daarbij buitengewoon veel aandacht aan de lichtinval, waar het Museum nog steeds om geroemd wordt. Het moest immers een plek voor ‘iedereen’ zijn, niet enkel voor connaisseurs. Laagdrempelig heet dat vandaag.

Dat zie je ook aan de inkom. Ze is gesitueerd in een apart hoekgebouw dat je bereikt via een overdekte gang tussen twee vijvers. Ze is dus letterlijk laagdrempelig. Maar vanaf die inkom krijg je binnen wel een dramatisch beeld op de ruimte van het Museum. Het is een frappant contrast met de eenvoud van de buitenzijde, ook al is de aankleding van het interieur nog zo sober.

Bij de oplevering waardeerde het Haagse Publiek die ostentatieve eenvoud niet. Ze hadden toch wat meer bombarie verwacht. Achteraf bleek de keuze van Berlage en Van Gelder echter de juiste, of toch zeker meest toekomstbestendige. Berlage maakte het echter niet meer mee: hij stierf in 1934, een jaar voor de opening van het gebouw.

Al snel bleek echter dat het plan van Berlage, met zijn relatief kleine zalen, ook zijn beperkingen had, omdat het niet voorzien was op de kunst die vooral na WO II opgang maakte en grote zalen vroeg. Er kwam een uitbreiding en veel grote en kleine ingrepen. In de jaren 1990 was het gebouw daardoor een rommeltje geworden. Een grote restauratiecampagne herstelde het in zijn oorspronkelijke staat (maar dan met extra ondergrondse depots en een glazen overkapping van de binnentuin).

Aan het verhaal van dat Museum wijdden Jan de Bruijn, Doede Hardeman en Jet van Overeem een boek, rijkelijk verlucht met foto’s van Gerrit Schreurs. Jammer genoeg is ‘Het gedroomde Museum’ toch een behoorlijk irritante publicatie. De basistekst en -fotografie van het boek is namelijk doorweven met een tweede katern van lichter, zwart papier waarop de ontwikkeling van de collectie geschetst wordt met zevenmijlslaarzen.

Dat had interessant kunnen zijn. Het verhaal van een Museum is inderdaad altijd én dat van een collectie die zich ontwikkelt én dat van de spanning tussen collectie en architectuur. Maar noch het één, noch het ander wordt serieus uitgewerkt. De basisteksten zijn oppervlakkig en overlappen elkaar inhoudelijk voor een groot deel, maar gaan slechts op anekdotische wijze in op deze problematiek (met de Mondriaan-collectie als evident paradepaardje).

Verbijsterend is bovendien dat er geen serieuze plannen te vinden zijn in het hele boek. Dat is gewoon godgeklaagd, niet alleen omdat Berlages tekeningen zeer de moeite waard zijn, maar ook omdat de amechtige uiteenzettingen over de zaalopbouw daardoor moeilijk te volgen zijn. Het is zo ook bijzonder moeilijk, schat ik, om de foto’s te situeren als je het gebouw niet kent.

Het is daardoor onduidelijk tot wie dit boek zich eigenlijk richt. Als architect blijf je op je honger. Als kunstliefhebber ook. Museologen krijgen hier opgewarmde kost voorgezet, terwijl het brede publiek dan weer zal afhaken door de zwakke samenhang van het geheel. Jammer is dat. Want Het Haagse Gemeentemuseum is nog steeds een uitzonderlijk gebouw, zowel architecturaal als museaal.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief